|
|
©
Harm de Jonge 2008
Tjibbe Tjabbes’ wereldreis
Leesfragment hoofdstuk
3:
Schipper Hotze
Horzelkaak
Het
zoekgeraakte oor van de kapitein
Een week na het gesprek op de Keizersgracht reisde
TjibbeTjabbes naar Enkhuizen. Hij nam daar zijn intrek in de herberg De Meermin
en maakte diezelfde avond nog kennis met de kapitein van De Griffioen. Dat was
even wennen voor degeleerde uit Leiden! Horzelkaak was een heel andere man
danTjibbe Tjabbes: groot, sterk, iemand met een zware stem en een baard. Hij nam
direct de leiding en bestelde een voedzame maaltijd: bonen, vlees, brood en
bier.
Ze zaten in De Meermin voor het raam en konden De Griffioen in de haven zien.
Een prachtschip met drie masten en veel zeil. Timmerlieden waren bezig het klaar
te maken voor de wereldreis. Het boegbeeld had al een nieuw verfje gekregen en
achter op de spiegel werd een griffioen geschilderd.
‘Ik vaar u naar alle hoeken van de wereld, professor,’ zei Horzelkaak, ‘en u
zoekt de beesten voor de heren Gotfried en Deodaat. Daar bemoei ik me verder
niet mee. Maar we zullen wel wat afspraken maken.’
Tjibbe had al gauw door dat Horzelkaak niet hield van kletsen voor de
gezelligheid. Als er gepraat moest worden, dan het liefst tijdens de maaltijd.
Zo verloor je in ieder geval geen tijd.En dan moest de ander ook niet te veel
vragen stellen of opmerkingen maken. Dat vond de schipper ook maar lastig.
‘Allereerst moeten we weten waar u precies heen wilt,’ zei Horzelkaak.
Hij veegde met zijn arm wat borden opzij en rolde op de tafel een kaart van de
wereld uit. Tjibbe moest aanwijzen welke plaatsen hij wilde bezoeken. Horzelkaak
zette daar kruisjes op de kaart. Toen rolde hij het papier weer op en schudde de
broodkruimels uit zijn baard. Hij vertelde dat hij de route ging uitwerken,
drukte de professor de hand en verdween.
Tjibbe bleef drie dagen in Enkhuizen. Overdag bezocht hij De Griffioen en ’s
avonds at hij met Horzelkaak in De Meermin.Ze spraken over de zaken waarover
gesproken moest worden: de kooien voor de dieren, het laboratorium van Tjabbes
benedendeks, het diervoedsel dat Horzelkaak moest inslaan.En daarna verdween de
kapitein weer snel. Geen grapjes, geen kletspraat, geen nieuwtjes.
Die hoorde Tjibbe wél van de waard. Wist de professor bijvoorbeeld dat
Horzelkaak zijn leven lang op zoek was naar de blauwe waterstier? Dat hij het
zeemonster al vaak had gehoord, maar nog nooit van heel dichtbij had gezien? Dat
die dekselse kapitein de goudvloot van Turkse zeerovers had onderschept en de
schatten naar Nederland had gebracht? Bij die gelegenheid had een kogel zelfs
zijn linkeroor weggerukt.
‘Maar wie maalt er bij zo veel geld om een oor meer of minder!’
zei de waard en hij lachte uitbundig. ‘Mijn beide oren voor een pot goud!’
Tjibbe Tjabbes was veel te ernstig om te kunnen lachen om zulke grapjes.
‘Kent u verhalen over de waterstier?’ vroeg hij nieuwsgierig.
‘Kunnen we het beest vangen, denkt u?’
En toen kon de waard ineens niet meer lachen. Hij dronk zijn bierkroes leeg en
veegde schuim uit zijn snor.
‘Spot nooit met het beest,’ bromde hij. ‘En blijf uit de buurt.
Het is een verschrikkelijk dier, professor.’
 |

illustraties
van Fiel Venius


|