Josja Pruis                    © Harm de Jonge  
       2006

Hoofdstuk 2: De komst van Josua Pruis

Het begon die eerste week direct al met de muts van Josja. Het was een felrode muts met een pluimpje. Niemand droeg zoiets met het warme weer en al helemaal niet in de klas. Wilde Josja de ribbel op zijn hoofd zo een beetje verbergen? We schreven die morgen zinnen over van het bord. Dat wil zeggen: wíj deden dat! Josja was verdiept in een boek. Oostzaan kuierde door de klas met zijn handen op de rug. We hoorden hem snuiven en ineens viel hij uit:
   
‘Jij daar op de achterste bank!’
    Zijn stem sloeg over en hij leek van zijn eigen woorden te schrikken. Josja keek op alsof
    hij wakker werd.
   ‘Het is hier bij ons op de Wilhelminaschool niet gebruikelijk een muts op te houden,
    jongen.’
   ‘Het kan toch geen kwaad, meneer?’
   ‘We zitten hier op school, Pruis. Daar dragen we geen mutsen.’
    En toen Josja nog geen aanstalten maakte:
   ‘Afzetten, die muts!’

Josja haalde zijn schouders op en trok de muts van zijn hoofd. De ribbel op zijn voorhoofd stak wit af tegen het bruin van zijn huid. Even trilden er spiertjes in zijn wangen. Het vriendelijke rimpelde weg, het wit van zijn ogen flikkerde. Maar het was allemaal zo kort dat de meesten het toen misschien niet eens gezien hebben. Josja boog zich weer over zijn boek en Oostzaan sloop terug naar zijn bureau. Waarom maakte hij zo veel drukte over die muts en niet over het feit dat Josja de les niet volgde? Oostzaan, de kleine viespeuk, die altijd gluurde naar een stukje bloot bij de meisjes! Het leek wel alsof hij expres ruzie zocht met Josja.
In de pauze zat Josja gewoon weer met de muts op te lezen. Met zijn rug tegen de schutting van het fietsenhok. Niemand durfde hem te storen. Alleen Ada Breugel zat op haar hurken naast hem. Af en toe praatte hij zachtjes tegen haar. Of las hij haar stukjes voor uit het boek? Die heerlijke lach van Ada, helder, tinkelend, alsof er een belletje rinkelde. Josja lachte niet. Niemand heeft Josja eigenlijk ooit hardop horen lachen. Wel was er een glimlach, bijvoorbeeld als hij even over Ada’s haar streek. Een merkwaardig gebaar, dat ons eerst jaloers maakte. Lubbe trok dan aan zijn oren alsof ze eraf moesten.

  
 ‘Ik kan er niet naar kijken, Homme. Hij zit aan Ada.’
    ‘Hoe flikt hij het?’ zei ik. ‘Hij is hier nog maar net.’
    ‘Het is die lasnaad op zijn kop, Homme.’
    ‘Het lijkt alsof zijn kop daar ooit gescheurd is.’
    ‘Wat maakt het uit wat er gebeurd is, man! Had ik maar zo’n kop.’

Zo waren de eerste dagen dus. Het waren zonnige dagen. Ada en Kokkie lachten veel en gluurden de hele dag naar Josja. Ze zagen Lubbe en mij niet meer staan. Josja bemoeide zich niet met ons en na schooltijd was hij snel verdwenen. We zagen hem niet op straat en ook niet in de Rietlanden. Al die tijd wisselde ik geen woord met hem. Dat gebeurde pas aan het eind van de week, op zaterdag, toen we ’s middags vrij waren.

 
terug