|
|
Column
Op deze pagina staan
korte teksten van Harm de Jonge, geschreven voor jongeren en
volwassenen. Het kan een column zijn of de bespreking van een boek dat hij mooi
vond om te lezen. De recensies zijn meestal gepubliceerd in Het Dagblad van
het Noorden. Klik op de titel om de tekst te
lezen.
Februari 2012: De man van
duizend listen
Voor eerder geplaatste columns: klik op een van de onderstaande titels
Een grapsturig bruisboek Jutters
en meerminnen
Het
heimwee van de heggenmus
Met Klein Duimpje op een onbewoond eiland
Balanceren
boven een slangenkuil
Het uilenoog van oma Mei
De bijbel van de
jeugdboekenschrijver
Een
droombroer op een pirateneiland
Op zoek naar de
hemel in oorlogstijd
Stel je voor dat ik jou was Bernie
krijgt een apenstaart
De geniale
uitvinding van een muizenverdrijver Dostojevski
in de hitte van Australië
Een slaafje op een zilveren
schaal Tranen bij een boek
Een
Tolstoi-jas in de Oranjewijk
Een autistische zwijger in het circus
De duivel als
marionettenspeler
Het
kraaienvolk en de geelsnaveltok
Halfbroertjes
zijn hele jongetjes De geur van oma’s
sudderlapjes
Een
roestige spijker als piercing
|
Onderstaande column over De
macht van de liefde van Imme Dros verscheen in januari 2012 in het Dagblad van het Noorden |
De man van duizend listen
Het liefst eens per jaar wil mijn godin naar het land van de Griekse goden. En
dus dwaalden we de voorbije zomer door het oude Micene. In de burcht daar zou de
ongelukkige Agamemnon na terugkeer uit Troje terstond door zijn vrouw zijn
vermoord.
We vonden er een oude leraar. Hij had zijn gymnasiumklasje op wat puin
geïnstalleerd en las de treurnis in de taal van Homeros voor. Ik moest denken
aan De reizen van de slimme man (1988) van Imme Dros. Dat boek gaat ook over een
oude man die verhalen vertelt en voorleest in onbegrijpelijke taal. Als hij
sterft krijgt de jongen Niels het boek. Het blijkt de Odyssee te zijn. Niels wil
dan naar het gymnasium om het boek in de oorspronkelijke taal te leren lezen.
Een sterk verhaal misschien, een jongen van elf die zoiets wil om die reden.
Maar duidelijk is wel dat de kennis van de Griekse cultuur bij de vorming van
een mens hoort. En als je Imme Dros als gids neemt, hoef je de Griekse taal
daarvoor niet eens te leren. De grande dame van de Nederlandse jeugdliteratuur
schrijft al ruim veertig jaar. Voor jonge kinderen (de Roosje-serie),
realistische verhalen voor oudere jeugd en vertalingen en bewerkingen van de
Griekse literatuur. De zwerver Odysseus moet wel haar meest geliefde persoon
zijn. De man van duizend listen, met als klapstuk die met het paard van Troje!
Hij is het type mens dat het moeilijk heeft, maar uiteindelijk overwint, net als
Niels in De reizen van de slimme man.
Odysseus bleef leven voor Dros. Ze kwam wat later met vertalingen van o.a. de
Odyssee: De reizen van Odysseus (1991). Hooggeprezen werk in modern Nederlands
en toch met de geur van de eeuwen oude bron:
‘En de wolkenverzamelaar Zeus gaf het volgende antwoord:
“Kind toch, wat voor woorden ontsnappen de haag van je tanden!”’
Voor de jeugd bewerkte Dros de Odyssee in Odysseus: een man van verhalen (1994).
Daarnaast verschenen er andere boeken over de Griekse mythologie, bijvoorbeeld
de verzamelbundel Griekse mythen (2004). Kortgeleden selecteerde ze uit die
bundel een dozijn liefdesverhalen: De macht van de liefde. We komen er beroemde
verhalen in tegen. Van Orfeus, die zijn geliefde uit de onderwereld haalt. Of
van Paris, die met de roof van Helena voor tien jaar oorlog zorgde. Een mooi
boek, ook om een geliefde al of niet op Valentijnsdag te geven. Wij schaken geen
Helena’s meer, maar verder is er in de liefde immers niet zoveel veranderd.
|
Onderstaande column over
Juttersjong van Sanne Parlevliet verscheen in september 2011
in het Dagblad van het Noorden |
Jutters en meerminnen.
Het nieuwe boek Juttersjong van de Groningse
auteur Sanne Parlevliet begint al op het kaft en is meteen spannend. Brend (ca
10 jaar) heeft zich op een duin verschanst met een ongebruikelijke strandvondst:
een metalen kist met een pistool erin. In het vervolg blijft het boeiend doordat
Parlevliet vakbekwaam mysteries oproept. Er is bijvoorbeeld het geheim rond
Brends Opa en de oude Fie, een heksachtig wezen dat in isolement op het eiland
leeft. Opa heeft haar zijn verzameling bootjes in flessen gegeven, maar waarom
staat die ene dan nog bij Brend thuis? En wie is het onbekende meisje dat ook
Fie heet?
Brend maakt deel uit van een groep jongens. Maar ze dulden hem alleen om
strandvondsten te dragen en ze pesten hem met zijn stotteren. Zijn verzet
bestaat hoogstens uit een trap op de schaduw van een kwelgeest. Brend is zo het
klassieke voorbeeld van een timide jongen die door een dominante vriend gebruikt
wordt. Maar zoals zo vaak krijgt dit type mens als compensatie de gave van de
fantasie mee. Dan kun je dromen wat de werkelijkheid je onthoudt. En wat is het
verschil tussen iets echt meemaken of het in fantasie beleven?
Brend is genoemd naar de middeleeuwse heilige Brandaan, die de waarheid van
wonderverhalen in twijfel trok en toen als goddelijke straf moest uitvaren om ze
zelf te beleven. Het verhaal staat in een oud boek van Brends opa. Die vertelde
ook andere verhalen, van een meisje dat als een meermin uit zee kwam
bijvoorbeeld. En als je twijfelde aan de waarheid zei Opa altijd: ‘Doe je ogen
dicht, dan zie je het in je hoofd.’
Bij het huis van oude Fie ontmoet Brend een meisje dat ook Fie heet. Maar is zij
nu echt of droomt Brend haar bestaan, zoals Opa meerminnen in het net van zijn
verhalen ving? Parlevliet laat het je zelf uitzoeken, maar helpt jonge lezers
wel met hints als: ‘Soms vraag ik me af of ik haar niet heb bedacht.’
Juttersjong is het tweede boek van Parlevliet. Ze verraste ons in 2008 al
met een knap boek over twee zussen: Zus. Met dit nieuwe boek laat ze zien
dat ze gegroeid is als schrijfster. Dit boek is met de hechte parallellie tussen
Brend en zijn grootvader, nog sterker van compositie en rijker aan literaire
verwijzingen. Het is onveranderd mooi geschreven, met fraaie vergelijkingen en
natuurobservaties.
|
Onderstaande column over
Sokkenthee en chocola van Mariken Jongman verscheen in februari 2011
in het Dagblad van het Noorden |
Een
grapsturig bruisboek
Het nieuwe boek van de Groningse Mariken Jongman heet Sokkenthee en chocola.
Hoofdpersoon is de negenjarige Wieske, die met haar vader in een imposante villa
woont. Het is vakantietijd, er zijn geen kinderen in de buurt en dus verveelt
Wieske zich. De buurvrouw is een ‘mevrouwige mevrouw’, die gul trakteert op
‘sokkenthee’ en zelfgemaakte bonbons. Samen met de oude vrouw en het bankpasje
van haar vader huurt Wieske een leegstaande villa. Daarin wil ze een leuk en
kinderrijk gezin gratis laten logeren. Maar het wordt een rommelige
Flodderfamilie met hangzonen en een venijnige dochter. En dat levert natuurlijk
genoeg complicaties op voor een boek vol actie.
Jongman zet de verhaallijnen behendig op, brengt met onverklaarbaar gedrag nog
wat extra spanning en lost alles aan het eind keurig op. Het lijkt op het eerste
gezicht een niet zo diepgaand verhaal met wat buitenissige mensen, die leven in
de brouwerij brengen. Maar al gauw ontdek je dat de personen meer dan
karikaturen zijn. Of het nu de oude vrouw is, die doet alsof ze samenwoont met
een zorgzame man, een boosaardig meisje dat rust zoekt op het kerkhof of Wieske
zelf: ze zijn allemaal eenzaam. Allemaal maken ze ook een beloftevolle
verandering door. De buurvrouw durft iets geks te doen, Wieskes vader neemt meer
tijd voor zijn dochter, het Floddergezin komt uit de luie stoel en gaat iets
ondernemen. En Wieske lijkt in het boosaardige meisje een vriendin te vinden.
Sokkenthee en chocola is een geestig boek met concrete humor, gericht op
komische verwikkelingen. Precies zoals jonge kinderen het willen. En net als in
Jongmans boeken voor oudere jeugd (Kiek en Rits) is er die mooie, laconieke
vertelstijl. Ze schrijft ook nu vanuit het kind, met leuke observaties (als je
een appel dun schilt kun je door de schil kijken) en liefde voor de taal. Wieske
en haar vader bewaren bijvoorbeeld nieuw bedachte woorden in een
Woordenschatkistje. Goed bedoeld liegen heet bij hen frokkelen. En een boek als
dit zou Wieske denk ik gewoon een grapsturig bruisboek noemen.
|
Onderstaande column over 'Het
geheime dagboek van Klein Duimpje' van
Philippe
Lechermeier
verscheen in december in het
Dagblad van het Noorden. |
Met
Klein Duimpje op een onbewoond eiland
Door het universele karakter van sprookjes
blijven diepe zielenroerselen van de personages meestal buiten beschouwing. Voor
schrijvers dus ruimte om sprookjes ‘in te vullen’. Het uit het Frans vertaalde
Geheime dagboek van Klein Duimpje is zo’n bewerking.
Het dagboek volgt in grote lijn het verhaal zoals wij het kennen: hongersnood,
het broodkruimelspoor, de mensenetende reus en de triomfantelijke thuiskomst in
zevenmijlslaarzen. Maar de gebeurtenissen worden nu uitgesponnen en Duimpje
leren we van binnen uit kennen. Hij is nog even slim, maar kent ook zijn zwakke
momenten en is verliefd op Mariballe Maribold. De zes broers krijgen een naam en
een eigen identiteit, evenals andere personen.
Het is niet meer het sprookje dat we kinderen vertellen of in de Efteling
verbeeld zien. Daarvoor is het te gedetailleerd en te ingenieus. Het boek zit
barstensvol literaire buitelingen, fantasievolle uitweidingen en taalgrapjes.
Niet alleen kom je er reuzen tegen, maar ook de tijdgrenzen wijken. De
uitbuitende landheer is een middeleeuwer, maar in De Rode Herberg kun je de
rekening voldoen met een betaalpas.
Het taalgebruik is poëtisch door onopvallend rijm, soms juist opvallend door een
rijmvondst (een barracuda uit Nicaragua!). De Franse auteur
Lechermeier maakt graag mooie opsommingen: de
bijnamen van Klein Duimpje, de voedselvoorraad van de reus, lijstjes van
Vrolijke Vreugdes en Erge Ellendes (waarmee hij meteen het karakter van Duimpje
tekent.)
De prachtige illustraties van Rebecca Dautremer geven aanvullende informatie. De
personen tekent ze vaak in close-up, maar ze kan ook uit de voeten met een
hotelfolder, het Certificaat van Achterlating van kinderen en
‘technische’ tekeningen zoals het aandrijfmechanisme in de zevenmijlslaarzen.
Alles klopt in dit boek, want het is ook nog eens creatief vertaald door Van de
Vendel en bijzonder vormgegeven: tekst in drukletter en in kriebelhandschrift
van Duimpje. Echt een boek om mee te nemen naar een onbewoond eiland dus! Met
meer dan tweehonderd bladzijden, kun je het tot in lengte van jaren puzzelend
lezen en bekijken en steeds weer iets nieuws ontdekken.
| Onderstaande column over 'Ik leer je liedjes van verlangen'
van Bette Westera verscheen in oktober in het Dagblad van het
Noorden |
Het heimwee van de
heggenmus
In
dierenverhalen praten de dieren meestal als mensen, maar de mate waarin ze
verder vermenselijken varieert. Voor heel jonge kinderen kan een varken nog in
een matrozenpakje op een driewieler rondfietsen. Hoe ouder de kinderen worden
hoe meer het dier zichzelf zal zijn.
In Ik leer je liedjes van verlangen van Bette Westera vinden we
dierenverhalen voor 8+. Maar een schaap drinkt er zijn espressokoffie en de
duizendpoot heeft het druk met sokken wassen. Dat heeft een humoristisch effect,
maar misschien vraagt de leeftijdsgroep toch wat meer realisme.
Los van dit zijn het mooie verhalen op rijm over dieren die een probleem hebben
of een verlangen koesteren. Westera koppelt menselijk gedrag daarbij vaardig aan
de eigenschappen van het dier. De oester is bijvoorbeeld een gesloten personage,
de slingeraap legt het bos vol slingers en wil ook de vrouwtjes versieren.
De start van een verhaal is vaak limerickachtig: ‘Er lag eens een kwal uit het
zonnige zuiden verkleumd en alleen op het strand van IJmuiden.’ Maar al gauw
zijn we daarna aan het filosoferen over identiteit en bestemming van het
individu: de kwal mist een verborgen agenda, want hij is doorzichtig en iedereen
doorziet hem dus. De heggenmus wil de veilige meidoorn graag inruilen voor de
hoge eik. De buizerd zal hem daar pakken, maar liever dat dan een risicovrij
maar saai leven.
Het taalgebruik is speels, creatief en uiterst verzorgd, met veel woordgrapjes:
de scharrelkip valt van haar stokje; als de das en de dagpauwoog vrijen, krijgen
ze vlinderdasjes. Kinderen zullen bij dat taalspel wel eens een grapje missen.
Bijvoorbeeld de aap die broodjes-aap-verhalen schrijft en je apekooltjes stooft.
Maar die passages zijn dan voor ouderen, want zoals alle goede jeugdliteratuur
is dit boek ook geschikt voor volwassenen.
Bij elk dier maakte Sylvia Weve fraaie tekeningen. Schijnbaar achteloos
neergezette penseelvegen waarin de details met scherpe pentekening in de
waterverf zijn aangebracht.
|
Deze column over
'De
hemel van Heivisj' van Benny Lindelauf verscheen in het Dagblad vh
Noorden |
In 2004
verscheen Benny Lindelaufs jeugdroman Negen Open Armen, een indrukwekkend
boek over een Limburgse familie en nu is er het vervolg met De hemel van
Heivisj. Het meisje Fing vertelt deze keer over de oorlogsjaren, als haar
broers en ‘de’ Pap naar Duitsland worden gebracht. Fing is dertien jaar en
krijgt een baantje bij de Duitse vrouw van de ‘sigarenkeizer’, de belangrijkste
man van Sittard. Ze moet Liesl, het onhandelbare nichtje van de ‘Pruusin’,
gezelschap houden.
Ook in dit boek komt er weer een parade van bijzondere mensen voorbij.
Allereerst de familie zelf: Fing en haar zusjes Muulke en Jes, haar broers, ‘de’
Pap en de onbuigzame oma Mei met haar tollend uilenoog. Soms schuiven de doden
uit de beschuittrommel met hun foto ook nog aan. Daarnaast zijn er de vaak
excentrieke mensen uit de streek, zoals de sigarenkeizer en de imbeciel.
De hemel van Heivisj is een boek met sterke karaktertekening en beeldend
taalgebruik. Mooi zijn ook de natuurbeschrijvingen: bij Lindelauf hangen de
leeuweriken hoog in de lucht en de wind fluistert er door de eiken. Het verhaal
sleurt je met cliffhangers onweerstaanbaar naar een daverende slot. Dan vallen
de bommen, het mijnpaard Heivisj slaat op hol en Fing vlucht met het Joodse
meisje Liesl voor de NSB’ers. Dan wordt ook duidelijk waarom Liesl haar oude
jurk nooit wilde afstaan en waar de spookgeluiden in de kelder van Negen Open
Armen vandaan komen.
Veel etiketten passen op dit boek: oorlogsroman, psychologische roman,
historische roman, familieroman, streekroman. Maar het is vooral een boek met
onvergetelijke verhaalfiguren.
Het is de moeite waard om zes jaar te wachten, als je daarna zo’n boek kunt
lezen.
|
Onderstaande column over 'Slangenkuil'
van David Almond verscheen in mei 2010 in Het Dagblad van
het Noorden |
Balanceren boven een
slangenkuil
In de jeugdromans van de Brit David Almond vinden we
meestal kwetsbare jongeren die zich in moeilijke situaties toch staande houden.
Het zijn spannende boeken, vol mysterie, vaak spelend op geheimzinnige locaties:
een steengroeve, een slikveld of zoals in Slangenkuil: een grot.
In dit nieuwe boek begint de spanning direct al bij aanvang. Er hipt een kauwtje
rond en de hoofdpersoon vindt een oud snoeimes. Al snel ontdekken ze in een
ruïne een baby. Er duikt nog een slechterik op en dan zijn we ook al op weg naar
een heftig slot.
Het gaat bij Almond nooit om klein puberleed, maar om levensvragen. Nu
filosofeert hij over het geweld in de wereld en het toeval dat je leven bepaalt.
Je kunt zo maar een kindsoldaat worden als je zoals de asielzoeker Oliver in
Liberia geboren bent. Geweld speelt een grote rol in het boek. Er is een
militaire oefening gaande. Een sadistische oud-vriend maakt video’s over
onthoofdingen in Irak en verzint spelletjes rond een kuil vol gifslangen.
Almond lijkt met dit verhaal te willen zeggen dat we in het leven allemaal
vondeling zijn. We balanceren gedurig boven adderpoelen en voor je het weet ben
je nog een moordenaar ook. Deze mens- en maatschappijvisie is niet zo
origineel sinds Sartre. We kenden het slechte in de mens ook al, zeker sinds
Auschwitz. Jongeren zullen er misschien nog aan moeten wennen. Almond is
dan wel jeugdboekenauteur en voorzichtig met een uitzichtloos einde. In
Slangenkuil overwint het goede dus en voor alle partijen gloort er hoop.
|
De column over 'Jim' van Judith Eiselin
verscheen in maart 2010 in Het Dagblad van het Noorden |
Een
droombroer op een pirateneiland
Ooit kroop er in het nachtelijk duister een
schrijver over de hei van Exmoor. Het was Maarten ’t Hart die controleerde of je
echt kon dobbelen bij het licht van dertien glimwormen. Dat doen ze namelijk in
een boek van Thomas Hardy en in realistische literatuur mag een auteur de
werkelijkheid natuurlijk geen geweld aandoen. Om een verhaal echt te laten
lijken gebruikt een schrijver daarom literaire trucs, bijvoorbeeld de vrij
drastische illusie dat het boek als reisverslag of dagboek is gevonden.
Het lijkt even of Judith Eiselin die schijn ook zocht voor haar nieuwe boek
Jim. Weliswaar is dat niet rechtstreeks het dagboek van de hoofdpersoon
Kiki, maar die heeft wel een dagboek en dat ziet er aan de buitenkant net zo uit
als Eiselins boek.
Kiki vertelt van haar vakantie met ouders en broer op het voormalige
pirateneiland Sark. Zo heel ontspannen verliep haar leven tot nu toe niet. Haar
autistische broer vernielt geregeld haar spullen en haar ouders praten dat
probleemgedrag alleen maar goed. Nu heeft hij zelfs haar lievelingsknuffel
Pimmetje de kop afgerukt. In de trein ziet Kiki in de weerspiegeling van een
ruit een knappe jongen. Zo’n broer had ze ook kunnen hebben! Als ze zich
omdraait is de droombroer verdwenen, maar hij laat van zich horen. Hij stuurt
zelfs een mailtje en zet sporen uit op het vakantie-eiland. Hij zal daar op haar
wachten!
Gelet op de werkelijkheidsillusie is Jim een interessant boek. Het speelt
niet op een fantasie-eiland, maar op een bestaand Kanaaleiland. Het is
gedocumenteerd met kaartjes, foto’s van gebouwen en realia: servetjes van het
hotel, zelfs ‘authentieke’ reisdocumenten op naam van Kiki. Zo gaan we geloven
dat Kiki echt bestaat en net als Eiselin op het pirateneiland is geweest. Aan de
andere kant is de raadselachtige Jim uiterst vaag. Dat is op zichzelf gezien
niet vreemd, want Jim is een hersenschim en die zijn van nature zweverig. Maar
zijn acties vinden wel plaats in de werkelijkheid van het boek. En de wijze
waarop Kiki de uitgezette sporen vindt en kan volgen, zou de controledwang bij
’t Hart behoorlijk aanwakkeren.
Al met al zorgde Eiselin dus voor veel ‘echtheid’, maar ze schreef allereerst
een spannend boek over een meisje dat overhoop ligt met haar broer en haar
ouders. De afloop is niet helemaal onverwacht, maar toch mooi. Eindelijk ook
eens een goed boek voor meisjes die zo gek zijn op paarden. Maar wel jammer dat
het door al dat knuffel- en paardengetroetel minder toegankelijk is voor
jongens.
|
Onderstaande column verscheen in de jaaragenda 2010 van de Standaard
Boekwinkels in Vlaanderen. Alle genomineerden voor de Gouden Uil 2009
leverden daarvoor een bijdrage. |
De bijbel van de
jeugdboekenschrijver
Juf Stubbe was zo mooi dat ik me bij het opzeggen van de tafels verslikte als ze
me aankeek. Ik wist ook zeker dat de engelen in de hemel op haar leken. Maar hoe
kon het dat uit de mond van zo’n lieve juf zulke verschrikkelijke verhalen
kwamen? Onze klasgenoot Bertus was door God bijvoorbeeld wat haastig in elkaar
gezet, zodat hij met een klompvoet door het leven moest. Toen Henk Veen dat
mankement aangreep om hem uit te schelden voor mankepoot, beval Stubbe ons
onmiddellijk de armen over elkaar te doen. Zij opende de Bijbel en vertelde van
de profeet Elisa, die door kinderen werd uitgescholden voor kaalkop. En toen
stuurde God twee berinnen die de kinderen snel in stukjes scheurden.
Tweeënveertig kinderen, een hele klas! Wij sidderden in onze bankjes en
verwachten elk ogenblik dat er bij ons roofdieren over het schuttinkje rond het
schoolplein zouden springen.
Zo waren er meer gruwelijke verhalen: vader Abraham bijvoorbeeld die zijn eigen
zoon Isaäk op takkenbossen legde om hem in opdracht van God te offeren. Ik hield
als kind hartstochtelijk van God, alleen al omdat hij juf Stubbe had gemaakt.
Maar ik was ook bang voor hem, want hij hield duidelijk niet van kinderen. Een
kind wordt in de Bijbel immers gelijkgesteld met een dier, waar je naar
willekeur over kunt beschikken. Jezus was wat liever. Hij zei tenminste ‘Laat de
kinderen tot mij komen.’ Maar die paar keer dat bij hem een kind in beeld komt,
is het om zijn grootheid in het licht te zetten, bijvoorbeeld als hij het
dochtertje van Jaïrus opwekt uit de dood.
De Bijbel is geschreven vanuit het arrogante perspectief van de volwassene.
Kinderen zijn niet belangrijk, ontbreken vaak helemaal. Zaten er kinderen in de
ark van Noach? Waren er kinderen bij toen Jezus een schare voedde met visjes en
brood? Kenmerkend is dat God bij de schepping het kind al overslaat. Adam en Eva
stappen ineens volgroeid in het Paradijs rond. Het enige mensenpaar dat nooit
een jeugd heeft gekend. Wat moet Eva opgekeken hebben toen het ongekende
verschijnsel van de zwangerschap zich aandiende. En we horen van Kaïn en Abel
pas weer iets als ze al groot zijn en de een de ander doodslaat. Sara krijgt als
oudere vrouw een kind, maar ook Isaäk zien we niet opgroeien.
Het valt ons misschien niet op dat het kind in de Bijbel ontbreekt. We zijn het
gewend en met het kind wordt alles wat er mee te maken heeft ondergewaardeerd,
ook het kinderboek en de makers ervan. Zelfs op de Gouden Uil-feesten in
Vlaanderen wordt de jeugdliteratuur snel even weggezet, om daarna opgelucht aan
het eigenlijke werk te kunnen beginnen. Het leven begint eigenlijk pas als je
volwassen bent en als kind leer je ook dat zo snel mogelijk te worden. Pas als
je oud bent realiseer je je dat de jonge jaren de mooiste van je leven waren.
Die prachtige tijd als de tover een sluier over je leven legt en je droomt van
de mysteries die je nog niet kent.
Het is een ongehoorde wens het boek te hebben willen schrijven dat een ander al
schreef. Het is helemaal aanmatigend als je de Bijbel had willen schrijven. Maar
zo vaak hoorde ik dat je als schrijver een godje bent, iemand die werelden
schept die nog niet bestonden. Als jeugdboekenauteur had ik dus wel graag willen
assisteren. Niet om van de Bijbel een kinderbijbel te maken, want daarmee blijft
het dezelfde bijbel in kindertaal. Ik had kinderen willen laten meedoen in de
Bijbel. Wat dacht het dochtertje van Jaïrus toen ze haar ogen weer opendeed en
Jezus zag? Wat dacht Isaäk toen hij het mes boven zich zag flikkeren? Heeft hij
daarna ooit zijn vader nog weer vertrouwd? En je zult toch geboren worden als
de zoon van God. Ik had graag laten zien dat de wonderen van Jezus zich in de
timmermanswerkplaats van Jozef al aandienden. En misschien had ik Jezus ook wat
kattenkwaad laten uithalen, want als kind al vroeg ik me af of hij nooit
vogelnestjes had uitgehaald of aan deurtje bellen had gedaan.
| Onderstaande column over
Allemaal willen we de hemel van Els
Beerten verscheen in mei 2009 in het Dagblad van
het Noorden |
Op
zoek naar de hemel in oorlogstijd
Zo af en toe
kom je een boek tegen waar je een tijdje mee leeft. Zo’n boek als Allemaal
willen we de hemel van de Vlaamse schrijfster Els Beerten bijvoorbeeld. Ik
las het met onderbreking, niet alleen omdat het 500 bladzijden dik is, ook omdat
het boek je aan het denken zet en ik veel terugbladerde om te zien hoe iemand
het voor elkaar krijgt om zo flonkerend te schrijven.
Allemaal willen we de hemel is een roman in de traditie van de grote
Vlaamse vertellers uit de vorige eeuw. Het gaat over een dorpsgemeenschap in
oorlogstijd, waarbij een mijnwerkersgezin met drie kinderen centraal staat. De
zoon Jef, de dochter Renée en het ‘mirakelmannetje’ Remi, dat overal buiten
wordt gehouden en dan maar met een ‘mirakel’ de onbegrepen problemen oplost.
Daaromheen wat anderen, met vooral ruimte voor de vriend van Jef, de
saxofoonspeler Ward. Hij wordt slachtoffer van de Duitse propaganda en gaat als
SS’er naar het oostfront om te vechten tegen de goddeloze bolsjewieken.
Het is een majestueus boek, dat op veel punten te prijzen valt: nauwgezette
research, knappe dialogen, en geschreven in helder Nederlands, met af en toe
zo’n prachtige uitschieter uit de Vlaamse vocabulaire. (‘Ik was een platbroek,
een schrikschijter van de bovenste plank.’) Het is een spannend boek, omdat er
een moord centraal staat. Maar het is veel meer, want het gaat over de keuzes
die mensen maken, met als belangrijkste die van Jef en zijn vriend Ward. Heb je
de moed om voor de waarheid te kiezen of red je je hachje met een leugen? En
voor Ward: Kun je zo groot zijn dat je de schuld op je neemt om de werkelijk
schuldige te redden?
Het boek vraagt wel veel van jonge lezers, ook omdat bij het wisselend
perspectief vier verschillende personen het woord voeren. Bij een nieuw
hoofdstuk duurt het vaak even voor je door hebt welke ‘ik’ er vertelt. Dat was
niet nodig geweest en had snel opgelost kunnen worden door de naam van de
verteller boven de hoofdstukken te zetten. De sprongen door de tijd worden
immers ook met een jaartal aangegeven.
Allemaal willen we de hemel werd genomineerd voor de Gouden Uil
Jeugdliteratuur en had die prijs eigenlijk ook moeten winnen. Het gebeurt
hoogstens één keer in een decennium dat er een boek als dit wordt geschreven.
Sterker nog: het had ook de Gouden Uil voor de volwassen literatuur kunnen
winnen, want het is net zo goed een prachtig boek voor volwassenen.
| De column over Zus van
Sanne Parlevliet verscheen in november 2008 in het Dagblad van
het Noorden |
Stel je voor dat ik jou was
Veel treurnis in de
menselijke omgang komt voort uit ons gebrekkig ontwikkeld invoelingsvermogen.
Misschien ontbreekt het ons daar zelfs helemaal aan en blijft de mens tegenover
je altijd de ander. Over dit tekort en het schuldgevoel daarbij gaat het in
Zus, het debuut van de Groningse Sanne Parlevliet.
De hoofdpersoon Mirjam (13) kampeert met haar ouders op een Waddeneiland. Deze
zomer voor het eerst zonder haar zus Stine (14), die na een verschrikkelijk
incident ergens is opgenomen. Mirjams ouders doen krampachtig alsof er niets is
gebeurd, maar de werkelijkheid is anders. In een doorwaakte nacht schrijft
Mirjam een lange brief aan haar zus. Ze wil achterhalen waarom ze Stine niet
geholpen heeft toen ze ontdekte dat die gepest werd. Het spelletje van vroeger
(‘Stel dat jij mij was.’) wordt ernst. Mirjam identificeert zich met Stine om te
voelen hoe het is als je zo alleen staat. Die vereenzelviging gaat zelfs zover
dat Mirjam zoent met Stine’s vriendje. En nu heeft ze ook nog straf
(‘tentarrest’), net zoals haar zus ergens in detentie is.
Mirjam realiseert zich dat er twee soorten mensen zijn: schrijvers en lezers.
Stine is het leestype net als haar moeder. Ze praten moeilijk over zichzelf. Wat
ze voelen of denken, vinden ze in de boeken en zo leren ze zichzelf kennen. De
onderstreepte passages in Stines boeken vormen eigenlijk haar dagboek. Mirjam is
een schrijftype. Ze schrijft om haar eigen gedrag te verklaren. Maar ook om haar
zus te helpen door het gebeuren voor haar te verwoorden.
Zus
is een intelligent uitgedacht en vakkundig opgebouwd boek, met spanning op twee
niveaus: wat is er gebeurd met Stine en waarom heeft Mirjam tentarrest? Het is
helder geschreven: traag op momenten van bezinning, vol vaart bij een
calamiteit. Volgens de schrijfster is het geen autobiografisch boek. Ze heeft
niet eens een zus! ‘Ik schrijf over situaties die ik niet ken, maar wil leren
kennen,’ zei ze in een interview. Maar dat is wel precies wat Mirjam in het boek
ook doet. En daarmee lijkt Parlevliet het dan toch over zichzelf als schrijver
te hebben. Schrijven is immers ook observeren en
zich identificeren met. Dat Parlevliet dat kan is in ieder geval duidelijk. Het
blijkt uit de wijze waarop ze een opstandige puber beschrijft, een zeurderige
moeder, een sullige vader. Het blijkt ook uit de aandacht voor details:
verkleuren sproeten echt bij lipspanning? Al met al is Zus een belangrijk
boek, dat veel lezers verdient en die mogen dan net als Stine veel passages
onderstrepen.
| Onderstaande column over Bernie King en de magische cirkels van Daan
Remmerts de Vries verscheen in oktober in het Dagblad van het Noorden. |
Bernie krijgt een apenstaart
Bernie King is een jongen die
in het dorp bekend staat om zijn grappen en apenstreken. Als hij bij aanvang van
het verhaal dus beweert een slak met handjes te hebben gevonden, zou dat ook
best een grap kunnen zijn. Bernie King en de magische cirkels lijkt zo
een realistisch verhaal, net als Godje waar Daan Remmerts de Vries een
gouden griffel mee won. Maar dan krijgt Bernie het vreselijke mens Zwellengrebel
als buurvrouw. En die naam alleen al laat je schrikken. De planten in haar
voortuin zijn vleesetend en als Bernie het huis binnensluipt ziet hij daar de
vreselijkste dingen. Al gauw blijkt dat Zwellengrebel een heks is die kinderen
omtovert in een dier. Zo wordt Bernies vriendin een konijntje, een ander een
slak. Gelukkig houdt een spiegel de toverflits bij Bernie tegen, zodat hij
wegkomt met een apenstaart en wat extra beharing rond het zitvlak.
Op het eerste gezicht lijkt het boek zo een Potterkloon te worden. Er is een
boosaardige heks, er zijn bezemstelen, toverboeken en magische spreuken. Maar de
verschillen tillen het boek uit boven de Potter-malligheid. Harrie Potter leeft
in een magische wereld en Bernie meer in een realistische wereld waarin magische
dingen gebeuren. Belangrijk is ook dat de avonturen van Bernie geestig zijn.
Fantastische verhalen zijn dat doorgaans niet. Bij sprookjes en horrorverhalen
valt er niks te lachen. Ook Potterboeken zijn avontuurlijk en griezelig, maar
niet humoristisch. Dat is ook logisch: humor werkt relativerend: een lach
ondermijnt de ernst en breekt de spanning en dat is niet de bedoeling in dat
soort boeken.
Remmerts de Vries heeft het talent om zich uit te leven in bizarre toverkunstjes
en de grappige gevolgen daarvan. De figuren zijn soms karikaturaal, maar
komisch, met als topper Bernies vader. Dat is een oplichter die niet bestaand
land verkoopt en zelfs uit Bernies aapachtig gedrag munt slaat door entreegeld
te vragen. Terloops levert de auteur zo wat maatschappijkritiek: hij drijft de
spot met de geldzucht van de vader, elders met het geroddel van mensen en het
hitsige gedrag van pubermeiden. Geestig zijn ook de details, bijvoorbeeld het
tafelgebed: ‘Heer, bedankt voor al het eten. Ga vooral zo door met Uw goede
giften. Zorg ook dat ik wat meer verdien…’
Het boek is vlot geschreven, met mooie dialogen en rake typering van situaties
en personen. Hier en daar klinkt wat museumtaal door (‘Geen van allen durfden
ze…’ ‘Daar aangekomen zag hij…’), maar die muggenzifterij moet ik eigenlijk voor
me houden. Daar is het boek te spannend voor en het slot te spectaculair en
verrassend.
Dostojevski in de hitte van Australië
Vorig jaar nog weigerde
Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren, omdat hij het
prijzengeld van 16.000 euro een aanfluiting vond. En warempel: het bedrag wordt
bij de volgende bekroning verhoogd tot veertig duizend euro. Nu de
Jeugdliteratuur dus nog, want daar is het ook geen vetpot. De Gouden Griffel
bijvoorbeeld is eervol, maar levert de winnaar maar een paar duizend euro op.
Dan pakt men in Zweden met de Astrid Lindgren Memorial Award heel wat
royaler uit met €. 540.000. Het halve miljoen, waar elk jaar ook Nederlandse
jeugdboekenauteurs voor in de race zijn, ging dit jaar naar de Australische
schrijfster Sonya Hartnett. Enkele boeken van haar waren al in het Nederlands
vertaald en kortgeleden kwam daar Valstrik bij, een belangrijk werk in
het bekroonde oeuvre.
Valstrik gaat over een sociaal ontspoorde familie. Vader Willow is het
hoofd van de clan, een bruut en dronkenlap en met de moeder en de vijf kinderen
is ook van alles aan de hand. Ze bewonen in een uithoek van Australië een
verwaarloosde boerderij met veel honden en rotzooi om de deur. Op hun ‘camping’
ontvangen ze wel gasten, maar dat doen ze alleen voor het geld, want ze houden
niet van vreemden. De kinderen dromen in hun isolement van de vrijheid, maar ze
weten ook dat ze het milieu nooit zullen verlaten. Ze accepteren de halve
waanzin van hun moeder en de woede-uitbarstingen van hun vader. In die
gesloten wereld dringt de landschapschilder Fox door. Hij wint het vertrouwen
van de jongste zoon en ontfutselt hem zelfs een incestgeheim.
Hartnett bouwt haar familieportret op zoals de kunstenaar het landschap
schildert: traag, met alle aandacht voor details. Het hele leven op de boerderij
is in de broeiende hitte immers ook traag. Maar de lezer voelt dat er elk
ogenblik een uitbarsting kan komen. En na ruim honderd bladzijden is er
ineens die versnelling. De kunstschilder maakt misbruik van zijn kennis en dan
volgt er een woeste finale vol gruwelijke wraak en weerwraak.
Valstrik is een prachtig geschreven en knap opgezette roman. Het wisselende
perspectief zorgt ervoor dat we alle personen van binnenuit leren kennen. De
dreigende vooruitwijzingen (veel dode dieren) roepen spanning op. En het gaat
bij Hartnett niet over klein puberleed, maar over grote emoties, over primaire
driften en duistere krachten in de mens. Het boek doet in dat opzicht denken aan
het werk van de grote 19eeeuwse realisten. Die sympathie lijkt
Hartnett ook uit te dragen. Waarom zouden de kinderen in opdracht van vader
Willow anders ook Misdaad en straf van Dostojevski lezen?
| Onderstaande tekst over Watson
van Martha Heesen verscheen in november 2007 in het Dagblad van
het Noorden |
De geniale uitvinding
van een muizenverdrijver
Ooit ontwikkelde mijn opa een muizenval
met zoveel poortjes en zacht sluitende luikjes, dat kleine ritselaars zonder
verplettering gevangen konden worden. Ik benut het wat wormstekige bouwsel nog
altijd om de zoogdiertjes vriendelijk te vangen, zodat ik ze bij een verre buur
weer kan laten lopen. Het is een pracht uitvinding, maar het is niets vergeleken
bij wat de tienjarige Carl in Watson, het nieuwe boek van Martha Heesen,
allemaal bedenkt. Carl is een geniale uitvinder: hij ontwerpt zomaar een
automatische bladzijde-omslaander voor lezende moeders, een wakkermaker met
automatische deken-wegtrekker en natte-washand-kletser. En als de opa van zijn
vriendinnetje Veerke last heeft van muizen weet Carl de kleine knabbelaars via
een ingenieus buizenstelsel snel de deur uit te zetten. Het werkt zo goed dat
ook Watson, de troetelmuis van Veerke, per ongeluk buiten in de kou belandt en
daar het loodje legt. Dat levert Carl een genadeloze afwijzing van Veerke op. Ze
wil niet meer praten en hij moet wekenlang met ‘heroveringstrategieën’ proberen
haar genegenheid terug te verdienen.
Alle emoties die treurnis of vreugde brengen in het leven van volwassenen,
vinden we terug in goede kinderboeken. Dat is een van de redenen waarom steeds
meer volwassenen die boeken ook lezen. Het kost in Watson bijvoorbeeld
geen moeite om in het gesteggel tussen Carl en Veerke een klassiek
man-vrouw-conflict te herkennen. De een is beledigd en straft met afwijzing,
waarna de ander een hulpeloos goedmakingoffensief inzet. Maar in eerste
instantie is Watson natuurlijk een boek voor kinderen.
Martha Heesen is wel eens gekenschetst als een auteur van boeken die alsmaar
bekroond worden, maar waar kinderen niet mee uit de voeten kunnen. Met haar
laatste boeken (ook: Maandag heeft vleugels en Wolf) toont ze aan
dat hoge kwaliteit en leesbaarheid kunnen samengaan. Watson is een
intelligent en geestig boek, waarin de gevoelens van kinderen genuanceerd worden
beschreven en het is ook nog eens spannend en vlot leesbaar. En wat een
schitterende combinatie vormen auteur en illustrator hier. De taalvirtuositeit
van Heesen en het tekentalent van Hofman sluiten wonderwel op elkaar aan. En het
blijft niet bij één omslagtekening. Het boek staat boordevol fraaie
priegeltekeningen, waarmee Hofman Carls uitvindingen invult en aanvult.
Vernuftige muisverwijderingapparatuur, huisvestingsfantasieën, instrumenten om
knagers ten grave te dragen: het is allemaal een lust voor het oog. In mijn
eregalerij van ‘muisboeken’ stond tot nu toe Pieperds van Tjibbe Veldkamp
vooraan. De gemene Baldini bouwt daarin een val die muizen tot doperwtgrootte
samenperst. Maar dat boek krijgt nu toch ernstige concurrentie van Watson.
|
De column Tranen bij
een boek is verschenen in het onderwijsblad Taal Lezen Primair.
November 2007 |
Tranen bij een boek
Mensen mogen graag
medemensen observeren. Schrijvers hebben die neiging geprofessionaliseerd. Zo
kunnen ze hun boeken werkelijkheidsgetrouw schrijven. Maar natuurlijk blijven ze
ook gewoon nieuwsgierig en dan in het bijzonder naar het gedrag van lezers.
Vooral in de trein valt er veel te zien en zelden zit je zo dicht bij een lezer.
Maar het observeren is wel millimeterwerk, want lezers zijn doorgaans niet erg
beweeglijk en zwijgzaam. Je moet het hebben van non-verbaal gedrag: een mond die
open zakt, een zucht, een glimlach.
Heel bijzonder moet het zijn als je iemand ziet die een boek leest dat je
zelf geschreven hebt. Dan is het niet alleen nieuwsgierigheid, maar ook een
poging eenzaamheid te doorbreken. Schrijven is immers communiceren met mensen
die je niet ziet en die geen antwoord geven. Carmiggelt kreeg ooit zo’n lezer
tegenover zich. De man las een kronkel, at een broodje, morste een sliert
jam op het boek en liet het tenslotte ook nog achter in de trein. Misschien maar
goed dat ik mijn lezer dus nog nooit zag. Soms droom ik er wel van: dan stel ik
me voor hoe hij op zijn zolderkamertje zit te lezen. Het is een loodgieterszoon
uit Hengelo; hij heeft voor mijn boek gespaard. In Korea zie ik in de metro
warempel een meisje met De Peperdans van Panzibas. En die Israëlische
soldaat in het pantservoertuig, hij vergeet toch niet het boordkanon!
Natuurlijk ontmoet ik wel eens lezers, maar dan is de reactie toch nog achteraf.
Het blijft mooi, daar niet van, vooral als het een bekentenis is. Zo verklapte
een bibliothecaresse uit Drenthe me een geheim rond het boek De
Circusfietser. Er komt in het boek een jongen voor die het verschrikkelijke
woord axolotl kent. Als je het luid op straat roept rommelt het
als de donder en moeders schrikken ervan. De toch zo beschaafde bibliotheekvrouw
bekende dat zij het had uitgeprobeerd: uitbundig axolotl roepend was ze
door het dorp gerend.
Uit de tweede hand hoorde ik van huilende lezers. Een Vlaamse student schreef
me: “Mijn lief zegt dat zij in haar jeugd weende bij Het Peergeheim.
Ach, meneer, zend mij dat boek, opdat ik die tranenvloed vol onschuld nog eens
kan oproepen.” Ook was er een Française in mantelpakje die met hetzelfde boek
gesignaleerd werd in een vliegtuig. Is het niet prachtig als een harde
zakenvrouw, een executive vice president, zachtjes snikt bij jouw tekst?
Natuurlijk had ik het nog liever zelf gezien. Maar dat zou het opperste geluk
geweest zijn en gelukkige schrijvers maken geen mooie boeken meer.
|
Slaaf Kindje Slaaf
werd eerder door Harm de Jonge besproken in Het Dagblad van het
Noorden en in de brochure Children’s Books from Holland, door
het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds gemaakt voor de
Kinderboekenbeurs in Bologna. Juni 2007 |
Een slaafje op een zilveren schaal
‘Ik zag opeens hoe zwart ze zijn, hoe mooi wit ik ben.’
(Dolf Verroen: Slaaf
Kindje Slaaf).
Het
nieuwe boek van Dolf Verroen Slaaf Kindje Slaaf begint met een
verjaardagsfeestje. Maria, de dochter van een plantagehouder in Suriname, wordt
twaalf jaar en krijgt cadeautjes. Op een zilveren schaal wordt ook een slaafje
van goed zeven jaar binnengebracht en van een tante krijgt Maria er ook nog een
zweepje bij. Zo sla je de luiheid er wel uit en als het jongetje helemaal niet
bevalt verkoop je hem gewoon weer op de markt. Net zoals die mooie slavin van
pappa, die sterk in waarde is gedaald sinds Maria’s jaloerse moeder haar gezicht
kapot sloeg.
Als een jeugdboekenauteur de zwarte periode van de slavernij als onderwerp
neemt, verwacht je dat hij expliciet duidelijk maakt hoe fout het was wat onze
voorouders deden. Volwassenen hebben vaak de neiging om kinderen wel even voor
te zeggen wat goed en wat slecht is. Maar Dolf Verroen is een betere
pedagoog. Hij wil de lezer zelf laten oordelen en laat het verhaal daarom
afstandelijk, bijna emotieloos door Maria zelf vertellen. Als kind van haar tijd
is het voor haar heel gewoon een mens als gebruiksvoorwerp te zien. Maar heel
knap zorgt Verroen er wel voor dat de lezer dat niet óók vindt. Allereerst door
Maria niet al te sympathiek neer te zetten: ze is een dom gansje, dat niet
nadenkt en zich hoogstens zorgen maakt over de groei van haar borstjes. En
ondertussen kiest Verroen genoeg schokkende situaties om de jonge lezer te
helpen zijn eigen oordeel te vormen. Het slaafje slaapt bijvoorbeeld als een
hond voor de deur en moet een gevallen gebakje van de vloer likken.
Het boek bestaat uit een veertigtal korte hoofdstukjes, met zinnen van vier of
vijf woorden. Die zinnen staan met veel wit op het blad en beginnen telkens op
een nieuwe regel. Ook omdat er soms subtiel wat binnenrijm is doet het geheel
bijna aan poëzie denken. Maar door die eenvoud lijkt het ook een tekst voor
beginnende lezers. En dat kan misverstand opleveren, omdat voor een succesvolle
Verroen-pedagogiek al wel wat ontwikkeld reflectievermogen nodig is.
Slaaf Kindje Slaaf is al met al een verrassend boek. Niet eerder wist een
auteur op zo’n indringende manier met zo weinig woorden jonge lezers tot
nadenken te brengen. Verroen deed inspiratie op tijdens zijn bezoek aan de
voormalig Nederlandse kolonie Suriname, maar in het verhaal zelf houdt hij tijd
en plaats vaag. Daardoor krijgt het boek ook nog iets universeels en verbreedt
Maria’s verhaal zich naar uitbuiting en discriminatie in het algemeen.
Het boek verscheen tegelijk in Nederland en Duitsland (Wie schön weisz ich
bin). In ons land bleef het boek vrij onopgemerkt, ook de Griffeljury zag
het over het hoofd, maar in Duitsland kreeg het meteen belangrijke prijzen: de
Gustav-Heinemann-Friedenspreis en de Deutscher Jugendliteraturpreis.

|
Het
Dagblad van het Noorden rekende De
geest van Pegasus van Harm Tilstra tot de mooiste boeken van het
jaar 2006. De bespreking van het boek verscheen eerder in Het Dagblad
van het Noorden.Januari
2007 |
Een autistische zwijger in het circus
Deze winter zag ik in Brussel de
luchtschepen en andere fantastische bouwsels van Panamarenko. Vrij vliegen als
een vogel: het is altijd een droom van de mens geweest. Talloze Icarussen
sprongen van een klif, al of niet met klapvleugels op de rug. Leonardo da Vinci
ontwierp zijn ornithopters, de gebroeders Wright vlogen in 1903 de eerste 12
seconden. Ook in jeugdboeken duiken deze dromers op: titels als Het malle
ding van bobbistiek en Vleugels voor Jorre schieten me te binnen.
Deze week kwam daar De geest van Pegasus van de Friese auteur Harm
Tilstra bij.
De hoofdpersoon is Adir, een reus van een jongen met enorme handen, in
het begin 12 jaar. Hij groeit op bij exotische circusmensen: een paardentemmer,
een lilliputter, trapezeartiesten en torenacrobaten. Iedereen kent hem als een
jongen die geen vrienden heeft en niet spreekt. Hij verzamelt plastic zakken,
veren, shampooflacons en fietsbanden om er ‘vliegdingen’ van te bouwen. Iemand
die wil vliegen wordt in het circus trapezeacrobaat, maar Adir is daar niet
geschikt voor. Hij mislukt ook als springplankacrobaat, als menselijke
kanonskogel en zelfs als ballonnenverkoper. Zijn moeder minacht hem daarom, maar
de schooljuf blijft in hem geloven. Als clown kun je toch een act bouwen op
vallen en mislukken! En als je dan ook nog wilt zweven, spring je met een
parachute uit de nok van het circus. Maar vallen is geen vliegen. Daarvoor heeft
Adir de hulp nodig van de Kozak en zijn hengst Pegasus.
De geest van Pegasus
is een wonderlijk boek, fantasievol en
intrigerend als de bekende televisieserie Carnivale. Spannend en vol
bijbetekenis, maar niet gemakkelijk. Jonge lezers zullen moeite hebben met de
overgang tussen werkelijkheid en fantasie en de wisselende verteltijd. Het boek
leest soms ook zwaar door de bloemrijke taal en het ontbreken van vaartbrengende
dialogen. Het circusvolkje praat wel wat, maar alleen in monologen. En Adir is
een autistische zwijger, die in het hele boek zo’n acht woorden zegt. Niemand
spreekt hem aan: ze weten dat hij toch niets terugzegt. (Merkwaardig genoeg
wordt wel verteld dat hij spreekt: ‘Adir bezwoer haar ...’ ‘Adir stelde
zijn vader op de hoogte …’)
Mensen in boeken leren we kennen door wat ze denken, zeggen en doen. Dit boek is
niet vanuit Adir geschreven. We kennen zijn gedachten dus niet van binnenuit en
omdat hij zwijgt als het graf, resteert alleen de beschrijving van zijn doen en
laten. Adir blijft zo een raadselachtige, niet te doorgronden jongen. Ook de
ervaren lezer houdt vragen over (waaróm spreekt Adir bijvoorbeeld niet?), maar
dat is niet per definitie een tekort van het boek. De mooiste herinneringen
bewaar je immers aan boeken die je aan het denken zetten en die je ter controle
nog eens wilt lezen. Zo’n boek is De geest van Pegasus.
|
De
Groningse auteur Tjibbe Veldkamp is vooral bekend door zijn
prentenboeken. Maar dit jaar nog zal er in de Kidsbibliotheek ook weer
een boek voor oudere jeugd verschijnen. Harm de Jonge interviewde hem
enige tijd geleden. Het interview verscheen in Het Dagblad van het
Noorden.
September 2006 |
Een
Tolstoi-jas in de Oranjewijk.
Een ontmoeting met de jeugdboekenauteur Tjibbe
Veldkamp
De Franse kunstenaar Duchamp monteerde
een fietswiel op een krukje, signeerde een pisbak en verklaarde het handeltje
tot kunst. Zulke absurde ingevingen brengen de Groningse jeugdboekenauteur
Tjibbe Veldkamp (1962) nog altijd in vervoering. We zitten in de keuken van zijn
woning vlak bij het Noorder Plantsoen. De auteur serveert plakjes worst en
vertelt over zijn jeugdroman De Lachaanval. De bokkensprongen uit zijn
eigen schooltijd in Groningen vormen daarin het uitgangspunt.
“Die verbijsterende tijd op het Willem Lodewijk! Het was verboden om
over de middentrap naar beneden te lopen. Iemand met een academische titel stond
er bij om overtreders terug te sturen. Alle grappen in dat boek zijn echt. Een
spreekbeurt over Duchamp moest natuurlijk op het toilet beginnen. Bij
schoolverkiezingen voerden we volstrekt dwaas propaganda voor een medeleerling.
Grappen hielpen mij door die school heen: humor om te overleven.”
Een barre schooltijd dus, maar Veldkamp
ontwikkelde zo wel wat zijn handelsmerk zou worden: een ernstige humorist in de
jeugdliteratuur. Eerst redacteur bij Donald Duck, daarna auteur van absurde,
Roald Dahlachtige verhalen. “Ik schrijf voor alle
leeftijden, maar het liefst voor kleuters. Het lijkt zo makkelijk, maar niets is
moeilijker dan een goed prentenboekverhaal opbouwen.” Veldkamp verwierf
er inmiddels faam mee. Bekroond en vertaald: fantastische verhalen vol
tegendraadse figuren. Zoals Tobbe uit Het Schoolreisje, die zijn eigen
school op wielen bouwt en er mee op schoolreis gaat. Of de 22 wezen, die
geen gevaarlijke spelletjes meer mogen doen.
Nieuw voor 7+ is Pieperds!, een hilarisch verhaal over een bijziend
jongetje, dat in Hotel Kier en Gat de muizen redt. “De
Grote Baldini heeft een krankzinnige kermismuizenval gemaakt. Hij kan er muizen
mee vangen, tot balletjes persen en wegslingeren. Pieperds! is een
onzinverhaal, dat lekker doordendert. Ik noem het een humoristische
actiekomedie. Het jongetje draagt een bril met één glas, gebarsten ook nog. Hij
oriënteert zich op geluiden. Ik wilde er eerst een soort hoorspel van maken.”
Het werd een boek waarin de geluiden van sprintende muizen, klingelende
deurbellen, bonkende Baldinivoeten in ritmisch dansende letters zijn gedrukt.
Ondertussen is Veldkamp al weer met nieuwe boeken bezig. “Er liggen drie prentenboeken klaar. En ik begin aan
een 10+boek. Heb je trouwens even: Charlotte komt zo met onze kinderen uit de
crèche.”
De vaderinstincten in de auteur roeren zich. We gaan op het muurtje voor
zijn huis zitten. Zijn ogen zoeken een zwaar met peuters beladen fiets. De
auteur en vader oogt ineens wat breekbaar in zijn hooggekraagde jas. Alsof er
een Russische verteller uit een vorige eeuw in de Oranjewijk is neergestreken.
Er is nog net tijd voor de verboden vraag. Of de contouren van dat nieuwe werk
al zichtbaar worden? “Er komen wasknijpers en een brilkoker in voor,” zegt hij
en veel meer wil hij niet kwijt. Maar de locatie zal zeker weer te herkennen
zijn. En dat is een prettige bijkomstigheid voor de promotors van Groningen.
Veldkamps boeken zijn al in 10 talen vertaald. Tot ver buiten Europa kennen ze
nu de watertoren in de Herman Colleniusstraat en het Willem Lodewijk Gymnasium.
Rusland blijft nog achter, maar als ze Veldkamps Tolstoi-jas zien komt daar gauw
verandering in.
Er
komen elk jaar veel nieuwe jeugdboeken uit. Soms zijn er al weer nieuwe voor de
oude goed en wel bekend zijn geraakt. Dat is wel eens jammer, omdat mooie boeken
dan geen kans krijgen. Zo’n boek vind ik bijvoorbeeld De
dromenzaaier van Henny Fortuin. Het verscheen ongeveer twee jaar geleden, maar
je kunt het al niet meer in de gewone boekhandel kopen. (wel bij De Slegte).
Maart 2006
De duivel als marionettenspeler
De
middeleeuwse Zuster Bertken liet zich uit geloofsijver inmetselen. Nog voel ik
de huiver toen onze leraar ervan vertelde. Zevenenvijftig jaar zat Bertken in
een kluis, door een luikje een bete broods en wat water aannemend. Over zo
iemand gaat het ook in De dromenzaaier van Henny Fortuin, al is het daar dan
geen heilige, maar een morsige zondaar die ter boetedoening door monniken is
ingemetseld. Sette heet hij, een oude marionettenspeler, die ooit zijn ziel aan
de duivel verkocht. Hij vertelt zijn levensverhaal.
Als
kind ontvlucht Sette het ouderlijke huis om het hulpje te worden van de
poppenspeler Malo. Samen trekken ze door het 16e eeuwse Umbrië. Meester Malo
blijkt de duivel te zijn, die in de harten van mensen dromen zaait en verlangens
inwilligt in ruil voor de ziel. Ook Sette valt de duivel ten prooi. Hij heeft
ongekend succes met een eigen marionettentheater, maar de dag komt dat hij zijn
ziel terugwil. Hij is de duivel te slim af en het contract wordt verbroken. Maar
alles wat hij daarna onderneemt mislukt en uiteindelijk strandt hij als een
schurftige bedelaar in een klooster.
Sette
vertelt het allemaal aan iemand in zijn kluis. Zo af en toe wordt de biecht ook
even onderbroken om het vertelstandpunt in herinnering te brengen (‘Maar dat
wilde ik niet vertellen. Luister je nog?’) Door de nauwe opening kunnen
hoogstens ratten binnenglippen. De toehoorder is dus geen monnik, eerder de Dood
of de Duivel. Of we moeten bijvoorbeeld de duivel niet gepersonifieerd zien,
maar zoals dat in Goethes Faust (1808) al het geval is, als de negatieve kracht
in de mens. Dan is er niemand bij Sette en spreekt hij tegen de duivel in
zichzelf.
Het
boek dient zich aan als een realistische (historische) roman, maar er is ruimte
om het hele verhaal als een droom te zien. Uitspraken van Sette wijzen in die
richting. (‘Ik heb te veel fantasie. Ik loop te dromen.’) Je kunt immers
best de duivel als persoon opvoeren, zeker in de concrete wereld van de
middeleeuwen, maar ook in 1575 kan een marionettentheater niet wegdruipen en
verdwijnen als het contract met de duivel is opgezegd. Dat theater is er dus
nooit geweest, het was er alleen in de droom van Sette. Misschien was Sette niet
eens poppenspeler, is het verlangen naar aards succes verbéeld. De duivel als
marionettenspeler is immers een klassiek beeld: hij heeft de mens aan een
touwtje, laat hem dansen als een marionet. Hoe het ook zij, De dromenzaaier is
een mooi en intelligent boek. Overal is merkbaar dat er is nagedacht: Sette wil
zijn droomtheater bijvoorbeeld blauw en het hele omslag is dus blauw. Ongewild
kregen we ook nog een blik in de keuken van de schrijver, waar natuurlijk het
meeste wordt nagedacht. In de aanbiedingsfolder werd Sette destijds voorgesteld
als een vondeling en het zou een boek van 368 bladzijden worden. Nu het boek er
is blijkt Sette een vader en broers te hebben en van de 368 blz. zijn er 108
overgebleven.
Ik
vraag me wel af of er over de adviesleeftijd zo goed is nagedacht. Vanaf 11 jaar
zegt de uitgever. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een oude
man. Identificeert een kind zich gemakkelijk of graag met zo iemand? Met een
jongen die poppenspeler wil worden wél. Sette vertelt ook even over zijn
jongensjaren en dat deel is aantrekkelijk voor jongeren, maar al gauw gaat het
over de (jong)volwassen Sette. Een boek allereerst voor volwassenen dus, daarna
voor een select jongerenpubliek en dan toch maar goed dat er 260 bladzijden
geschrapt zijn.

Deze
tekst gaat over drie boeken, De
aanval van Clem
Martini, Vogels aan kinderen verteld
van Gilles Martin
en Hét
boek over Vogels van Ben
Morgan.
Februari 2006
Het
kraaienvolk en de geelsnaveltok
Deze
winter kreeg ik er een paar bijzondere vrienden bij. Elke morgen dienen ze zich
met blijmoedig gekras aan. En pas als het broodrantsoen niet al te ruim bemeten
is beginnen ze vuige taal rond te slingeren. Kraaien zijn sociale vogels, trouw
aan de partner en de soort. En verbazend intelligent: een tipje van mijn jas,
een flits van de auto en het stel komt in roekeloze vaart van ver aanstuiven.
Iedereen
die aan het vernuft van de zwartrok twijfelt moet beslist de Canadese auteur
Clem Martini blijven volgen. Het eerste deel van zijn trilogie over de
kraaienfamilie Kinaar, heet De aanval (uitgever
Gottmer). Daarin vertelt de 38-jarige Kalum (alle kraaien hebben een K-naam) van
de jaarlijkse lentetrek. Traditiegetrouw komt het kraaienvolk samen bij de
Herenigingsboom. Daar wordt de balans van het voorbije jaar opgemaakt, de koers
voor de toekomst uitgezet en herdacht welke kraaien zijn teruggekeerd naar de
Grote Maakster. Dit jaar draait het vooral om de jonge kraai Kyp. In een
overmoedige bui veroorzaakt hij de dood van een kraaienjong en Kalum moet de
straf uitspreken. De onbezonnen Kyp wordt tijdelijk verbannen. Maar het is
dezelfde Kyp die de familie redt als er een sneeuwstorm komt en een oorlog met
katten moet worden uitgevochten.
Iedereen
die een toom pluimvee heeft, weet dat vogels van dezelfde soort in karakter
verschillen als mensen. Dat is het knappe van Martini’s boek: er zijn
tientallen kraaien en het zijn allemaal individuen, met begrip en
invoelingsvermogen getekend: de ingetogen Kuper die Kym zo leuk vindt, de
jaloerse Kyrk, de puber Kyp. De kraaien blijven bij Martini hun
vogeleigenschappen houden. Maar ze kunnen praten en hun gedrag wordt bij alle
intriges, conflicten en verlangens menselijk geïnterpreteerd. En Martini kan
schrijven! Ook al zit je in de volle zon, de barre tocht door de sneeuwstorm
volg je kleumend. Het water loopt je zelfs in de mond als Martini een smakelijke
kraaienhap van torren en bramen beschrijft.
Voor
mensen die pratende vogels toch maar onzin vinden, zag ik twee non-fictieboeken:
Vogels aan kinderen verteld (Lannoo)
en Hét boek over Vogels (Gottmer).
Beide boeken bevatten vanzelfsprekend de basisinformatie over zaken als
nestbouw, voortplanting, vlieggedrag, voedsel. Daarnaast staan ze vol
wetenswaardigheden. Prachtboeken als je wilt weten waarom flamingo’s roze
zijn, hoe vaak een specht per seconde hakt en welke vogel klauwen aan de
vleugels heeft. En natuurlijk gaat het niet alleen over de kraai en de mus, maar
lees je ook over exotischer vogels als de kakapo, de geelsnaveltok en de hoatzin.
De boeken zijn geïllustreerd met unieke foto’s van natuurfotografen. Heel
bijzonder is bijvoorbeeld de foto van een fuut die ons haar achterste toont met
het ei al half naar buiten geperst. Hét
boek over Vogels bevat veel kleine foto’s, mooi geordend op de bladzijde,
met korte toelichtingen, wit op zwart. Vogels
aan kinderen verteld is minder vol en ook qua tekst wat kindvriendelijker,
maar heeft naast de foto’s eenvoudige tekeningetjes die niet iedereen even
mooi zal vinden.

Deze
tekst gaat over het nieuwe boek van Rita Verschuur: Moeder
en God en ik..
december 2005
Halfbroertjes
zijn hele jongetjes
Mijn
Juf Stubbe was een engel, maar dat ze de dag begon met duistere bijbelverhalen
legde een schaduw van gruwel over mijn jonge jaren. Ik leerde een God kennen die
kinderen liet verscheuren door beren, omdat ze een profeet uitscholden voor
‘kaalkop’. Die Abraham ertoe aanzette zijn zoon te offeren en toen dat niet
meer hoefde nog wel een ram om zeep liet helpen. God hield niet van kinderen en
dieren, dat was duidelijk. Had mijn nachtgebedje ‘Here, houd deze nacht over
mij de wacht’ nog wel zin? Ik bad het met open ogen om roofdieren voor te zijn
en voor alle zekerheid ging mijn witte muis mee naar bed.
Over
die God in een kinderleven gaat het nieuwe boek Moeder
en God en ik van Rita Verschuur. De hoofdpersoon heet onverhuld Rita
Verschuur. God komt halverwege de vorige eeuw haar wereld binnen samen met een
streng gelovige stiefmoeder. Het blijkt een moeder die veel te luid liederen
zingt (‘Jubelt, jubelt blij o christenheid.’) en zalig
een verboden (want katholiek) woord vindt. Volgens Rita is ze ‘een soort
Bonifatius die ons wil bekeren.’ Daarom moet ze naar de zondagschool in het
Maranatha-gebouwtje, waar de zusters Mastenbroek met krijsstemmen het evangelie
brengen. Net als haar vader ziet Rita zichzelf als een heiden, maar ze wil wel
alles van het geloof weten. Ze leest de Kinderbijbel, raakt met God ‘in de
knoop’ en worstelt met vragen als: ‘God schiep alles, maar wie maakte
God?’
Rita
Verschuur verwierf faam met haar Astrid Lindgren-vertalingen. Daarnaast is ze al
jaren bezig met een serie autobiografische romans, waarvan Moeder
en God en ik het achtste deel is. Het zijn stuk voor stuk indrukwekkende
boeken, waarmee ze regelmatig in de prijzen viel: voor Vreemd
land kreeg ze een zilveren griffel, voor Jubeltenen
de Gouden Uil. De formule is altijd gelijk: een honderdtal stukjes, soms niet
langer dan een halve bladzijde. Geen sterke verhaallijn, geen adembenemende
plot, eerder een van verschillende kanten belichte situatie. Het doet denken aan
het tv-spelletje, waarbij een bekende voorstelling stukje voor stukje oplicht
tot het geheel in beeld is. Die korte ‘shots’ zijn opgepoetst tot
pronkstukjes van taal. Knap is hoe Verschuur zich met een twaalfjarig meisje
weet te identificeren (of zich haar eigen jeugd tot in detail herinnert!) Dat
levert mooie kinderobservaties op als: ‘halfbroertjes, dat vind ik zo’n gek
woord voor hele jongetjes.’
Veel
in Moeder en God en ik zal oudere
lezers vertrouwd voorkomen. Maar de wereld van nu is heel anders dan in
Verschuurs jeugd. Het is de vraag of de hedendaagse jeugd nog aandacht kan
opbrengen voor Rita’s perikelen. Misschien zullen ze nog wel de puberemoties
herkennen. Literatuur voor een kleine groep jonge lezers en een groter publiek
volwassenen dus.

Deze tekst
gaat over het nieuwe boek van Anton van
der Kolk: Het huis van oma
november 2005
De geur van oma’s
sudderlapjes
Het is nu eenmaal
niet anders: alles in het leven gaat voorbij. Gelukkig kreeg de mens ter
compensatie het vermogen om herinneringen te bewaren. Hij ontdekte ook
hulpmiddelen om de schatkamer van het verleden gemakkelijker te openen: we
plakken foto’s in albums, we bewaren voorwerpen van vroeger. En soms woelt het
verleden zich vanzelf los door een oude geur of smaak. Prachtige literatuur over
de verloren jeugd is zo ontstaan: van Proust (madeleinekoekjes) tot Vestdijk
(stoomtrein). Veel auteurs grijpen ook het overlijden van hun ouders aan om
herinneringen op te halen: bijvoorbeeld Wolkers (De Junival), Matsier (Gesloten
huis).
In de jeugdliteratuur is dat ‘specialisme’ zonder meer
gereserveerd voor Anton van der Kolk. Hij schreef al een jeugdboek naar
aanleiding van het overlijden van zijn vader (Nacht)
en nu brengt de geur van sudderlapjes hem naar Het
huis van oma. Op het omslag staat het ouderlijke huis, maar net als in het
vorige boek neemt Van der Kolk afstand en verdoezelt hij het autobiografische
door een kleinkind van oma het verhaal te laten vertellen.
Het huis van oma moet na haar overlijden verkocht worden. Samen met haar vader
gaat de elfjarige Maloe er opruimen en daarmee duikt ze in het verleden. Maloe
probeert de herinneringen steun te geven door het huis te tekenen en bezittingen
van oma veilig te stellen: haar schoenen, haar hoedje en sjaal, de spiegel, de
knopenpot, het Mariabeeld. Oma was de liefste oma (‘Zo lief worden ze niet
meer gemaakt, tegenwoordig.’), ook nog een malle oma die in onderbroek met
haar kleindochter in een vennetje gaat zwemmen. Met al haar gedachten en
herinneringen brengt Maloe oma eigenlijk weer tot leven. Als ze zich verkleedt
met oma’s jas en hoedje kan ze in de spiegel zelfs weer met de oude vrouw
praten. Toch blijkt Oma niet alleen lief te zijn geweest. Maloes vader heeft
heel andere herinneringen, waar hij niet graag over praat.
Het geheim rond die nare herinneringen brengt spanning in het boek.
Maar heel spectaculair is het allemaal niet. Het mooie van dit boek is juist dat
Van der Kolk niet op jacht is naar grote effecten maar subtiel te werk gaat. Het
zijn heel gewone herinneringen aan een gewone grootmoeder, herkenbaar en
toegankelijk voor jonge lezers. Het geheim van de vader is ook niet duister
zoals in veel jeugdboeken. Het uitgewoonde lege huis wordt gespiegeld in een oud
wespennest, maar het gebeurt allemaal zonder nadruk. Ook de taal van Van der
Kolk is sober: korte zinnen, natuurlijke dialogen, weinig beeldspraak. In die
eenvoud schitteren de ontroerende gesprekken die Maloe voert met het Mariabeeld
(‘Zonder mij had u bij het grofvuil gelegen, hoor!’) of met de dode
grootmoeder. Soms doet dat wat denken aan de Guus Kuijer-kinderen, die net zo
spontaan met een dode grootouder of Jezus praten. Maar gelukkig is Maloes oma
katholiek en zijn de discussies met twee Lieve Vrouwen zo toch weer uniek.
Onderstaande
column is verschenen in de Lemniscaatkrant nr. 75.
Het gaat over het nieuwe boek van
de Kidsbibliotheek: De geur van roestig ijzer .
oktober 2005
Een
roestige spijker als piercing
Niet
iedereen gelooft een schrijver zomaar op zijn woord. Uitgevers willen
bijvoorbeeld nog wel eens vragen: ‘Klopt dat wel wat daar staat? Zijn er echt
negermeisjes met blauwe ogen? Heeft een Volvo 440 wel stuurversnelling? Bloeien
klaprozen nog in september?’
Er zijn ook lezers die controleren of het wel kan wat er in het boek staat. Ik
herinner me iemand die uitprobeerde of je ’s nachts op de hei in Engeland een
boek kon lezen bij het licht van glimwormen. En kortgeleden hipten er twee
Lemniscaatjournalistes mijn huis binnen. Ze wilden weten hoe het precies zat met
het Kidsweek-boek De geur van roestig
ijzer en kwamen dus ook met vragen als: ‘Dat meisje in het boek is
dertien jaar en ze heeft de zwarte band judo?’ Ze hadden natuurlijk gelijk:
hoe goed je ook bent in judo, de zwarte band als je dertien bent kan nooit.
Meestal maak ik me niet zo druk om zulke ‘leugentjes’ in een boek. Je kunt
het natuurlijk niet al te bont maken. De Watergeuzen veroverden Den Briel in
1572 niet met kruisraketten. Orang-oetans zijn geen inheemse dieren op de Veluwe.
Maar een schrijver mag verder best proberen jou te laten geloven dat iets waar
is als het niet waar is. Ik geef een voorbeeld en het is ook meteen een
bekentenis en een Lemniscaatgeheim dus.
In
De geur van roestig ijzer valt Joeri
voor het Turkse meisje Nesrin. Hij vindt dat zij naar roestig ijzer ruikt dat in
de regen heeft gelegen. Dat is zo’n heerlijke geur dat hij helemaal van de
kaart is. De meeste lezers zullen ‘het wel geloven’, maar er zijn er ook die
wel eens willen weten hoe roestig ijzer nu precies ruikt. Een oude fiets of een
roestig putdekseltje is snel gevonden. Wat ruik je dan? Als ik eerlijk ben: ik
weet het niet. Ik heb in al die tijd dat ik aan het boek werkte nooit met mijn
neus op stukjes roestig ijzer gelegen. Ik heb mij voorgesteld hoe de geur was en
rook die ook in mijn hoofd. Onweerstaanbaar lekker! Ik wist ook hoe je die geur
kon namaken. Ik liet Joeri immers het recept ontdekken. Maar ook dat heb ik
nooit uitgeprobeerd; ik geloofde Joeri gewoon. Dat is het mooie van schrijven en
lezen: het kan ook als het misschien niet kan.
Ik heb me wel afgevraagd waarom ik bij roestig ijzer als heerlijke geur kwam.
Waarom ruikt Nesrin niet naar komkommers, zeewier of speculaaskoekjes? Ik ben op
een schip geboren, dus eigenlijk in een ijzeren doos met veel roest in de buurt.
Helemaal als ons schip na een ‘zoute’ zeereis een haven binnenliep. Was
roestig ijzer het eerste wat ik in mijn leven rook? Was er toen even een Turks
meisje in de buurt? Want het is wel zo dat geuren en smaken diepere indrukken
achterlaten dan wat je ziet. Als ik inkt ruik zit ik zo weer als jongetje bij
juf Stubbe in de klas. Als ik een framboos proef sta ik weer in de tuin van mijn
grootvader. Er zijn schrijvers die door zo’n ‘herinnerings’-geur beroemde
boeken schreven. Als de Nederlandse schrijver Vestdijk bijvoorbeeld stoom van
een lokomotief rook herinnerde hij zich zijn jeugdliefde. Die geur bracht hem
tot een serie boeken over Ina Damman.
Bij een diplomauitreiking hoorde ik laatst iemand zeggen: a goodbye is the birth of a memory. Vond ik wel een mooie
uitspraak! Alles in het leven gaat voorbij, maar de herinnering blijft. Ons
hoofd is een geweldige doos vol herinneringen. Je begint met een lege doos en
propt hem in je leven barstensvol. Wij hebben ook sleuteltjes om de vakjes in de
memorydoos te openen. Foto’s, een voorwerp, een muziekje brengen herinneringen
tot leven. Geuren trekken ook zomaar een laatje in je hoofd open. Helemaal dus
als het de geur van roestig ijzer is. Geloof mij nou maar: er is niks lekkerder
dan die geur. Waarom zou Britney Spears anders liever ijzeren oorbellen dragen
dan gouden! Stop jij dus gerust een roestige spijker in je broekzak of als
piercing door je neusvleugel. Wedden dat er dan zo maar iemand vreselijk
verliefd op je wordt?
|
|