Column

Op deze pagina staan  korte teksten van Harm de Jonge, geschreven voor jongeren en volwassenen. Het kan een column zijn of de bespreking van een boek dat hij mooi vond om te lezen. De recensies zijn meestal gepubliceerd in Het Dagblad van het Noorden. Klik op de titel om de tekst te lezen.

 Februari 2012
De man van duizend listen

Voor eerder geplaatste columns: klik op een van de onderstaande titels

 Een grapsturig bruisboek                                                 Jutters en meerminnen

Het heimwee van de heggenmus                                       Met Klein Duimpje op een onbewoond eiland

 Balanceren boven een slangenkuil  
                                Het uilenoog van oma Mei

De bijbel van de jeugdboekenschrijver                             Een droombroer op een pirateneiland

Op zoek naar de hemel in  oorlogstijd                                                  

 Stel je voor dat ik jou was                                                  Bernie krijgt een apenstaart     

 De geniale uitvinding van een muizenverdrijver              Dostojevski in de hitte van Australië     

 Een slaafje op een zilveren schaal                                     Tranen bij een boek

 Een Tolstoi-jas in de Oranjewijk                                        Een autistische zwijger in het circus

 De duivel als marionettenspeler                                        Het kraaienvolk en de geelsnaveltok

 Halfbroertjes zijn hele jongetjes
 De geur van oma’s sudderlapjes                                        Een roestige spijker als piercing


 

Onderstaande column over De macht van de liefde van Imme Dros verscheen in januari 2012 in het Dagblad van het Noorden

De man van duizend listen

Het liefst eens per jaar wil mijn godin naar het land van de Griekse goden. En dus dwaalden we de voorbije zomer door het oude Micene. In de burcht daar zou de ongelukkige Agamemnon na terugkeer uit Troje terstond door zijn vrouw zijn vermoord.
We vonden er een oude leraar. Hij had zijn gymnasiumklasje op wat puin geïnstalleerd en las de treurnis in de taal van Homeros voor. Ik moest denken aan De reizen van de slimme man (1988) van Imme Dros. Dat boek gaat ook over een oude man die verhalen vertelt en voorleest in onbegrijpelijke taal. Als hij sterft krijgt de jongen Niels het boek. Het blijkt de Odyssee te zijn. Niels wil dan naar het gymnasium om het boek in de oorspronkelijke taal te leren lezen.
Een sterk verhaal misschien, een jongen van elf die zoiets wil om die reden. Maar duidelijk is wel dat de kennis van de Griekse cultuur bij de vorming van een mens hoort. En als je Imme Dros als gids neemt, hoef je de Griekse taal daarvoor niet eens te leren. De grande dame van de Nederlandse jeugdliteratuur schrijft al ruim veertig jaar. Voor jonge kinderen (de Roosje-serie), realistische verhalen voor oudere jeugd en vertalingen en bewerkingen van de Griekse literatuur. De zwerver Odysseus moet wel haar meest geliefde persoon zijn. De man van duizend listen, met als klapstuk die met het paard van Troje! Hij is het type mens dat het moeilijk heeft, maar uiteindelijk overwint, net als Niels in De reizen van de slimme man.
Odysseus bleef leven voor Dros. Ze kwam wat later met vertalingen van o.a. de Odyssee: De reizen van Odysseus (1991). Hooggeprezen werk in modern Nederlands en toch met de geur van de eeuwen oude bron:
‘En de wolkenverzamelaar Zeus gaf het volgende antwoord:
“Kind toch, wat voor woorden ontsnappen de haag van je tanden!”’
Voor de jeugd bewerkte Dros de Odyssee in Odysseus: een man van verhalen (1994). Daarnaast verschenen er andere boeken over de Griekse mythologie, bijvoorbeeld de verzamelbundel Griekse mythen (2004). Kortgeleden selecteerde ze uit die bundel een dozijn liefdesverhalen: De macht van de liefde. We komen er beroemde verhalen in tegen. Van Orfeus, die zijn geliefde uit de onderwereld haalt. Of van Paris, die met de roof van Helena voor tien jaar oorlog zorgde. Een mooi boek, ook om een geliefde al of niet op Valentijnsdag te geven. Wij schaken geen Helena’s meer, maar verder is er in de liefde immers niet zoveel veranderd.
 

Onderstaande column over Juttersjong van Sanne Parlevliet verscheen in september 2011 in het Dagblad van het Noorden

Jutters en meerminnen.

Het nieuwe boek Juttersjong van de Groningse auteur Sanne Parlevliet begint al op het kaft en is meteen spannend. Brend (ca 10 jaar) heeft zich op een duin verschanst met een ongebruikelijke strandvondst: een metalen kist met een pistool erin. In het vervolg blijft het boeiend doordat Parlevliet vakbekwaam mysteries oproept. Er is bijvoorbeeld het geheim rond Brends Opa en de oude Fie, een heksachtig wezen dat in isolement op het eiland leeft. Opa heeft haar zijn verzameling bootjes in flessen gegeven, maar waarom staat die ene dan nog bij Brend thuis? En wie is het onbekende meisje dat ook Fie heet?
Brend maakt deel uit van een groep jongens. Maar ze dulden hem alleen om strandvondsten te dragen en ze pesten hem met zijn stotteren. Zijn verzet bestaat hoogstens uit een trap op de schaduw van een kwelgeest. Brend is zo het klassieke voorbeeld van een timide jongen die door een dominante vriend gebruikt wordt. Maar zoals zo vaak krijgt dit type mens als compensatie de gave van de fantasie mee. Dan kun je dromen wat de werkelijkheid je onthoudt. En wat is het verschil tussen iets echt meemaken of het in fantasie beleven?
Brend is genoemd naar de middeleeuwse heilige Brandaan, die de waarheid van wonderverhalen in twijfel trok en toen als goddelijke straf moest uitvaren om ze zelf te beleven. Het verhaal staat in een oud boek van Brends opa. Die vertelde ook andere verhalen, van een meisje dat als een meermin uit zee kwam bijvoorbeeld. En als je twijfelde aan de waarheid zei Opa altijd: ‘Doe je ogen dicht, dan zie je het in je hoofd.’
Bij het huis van oude Fie ontmoet Brend een meisje dat ook Fie heet. Maar is zij nu echt of droomt Brend haar bestaan, zoals Opa meerminnen in het net van zijn verhalen ving? Parlevliet laat het je zelf uitzoeken, maar helpt jonge lezers wel met hints als: ‘Soms vraag ik me af of ik haar niet heb bedacht.’
Juttersjong is het tweede boek van Parlevliet. Ze verraste ons in 2008 al met een knap boek over twee zussen: Zus. Met dit nieuwe boek laat ze zien dat ze gegroeid is als schrijfster. Dit boek is met de hechte parallellie tussen Brend en zijn grootvader, nog sterker van compositie en rijker aan literaire verwijzingen. Het is onveranderd mooi geschreven, met fraaie vergelijkingen en natuurobservaties.

Onderstaande column over Sokkenthee en chocola van Mariken Jongman verscheen in februari 2011 in het Dagblad van het Noorden


Een grapsturig bruisboek

Het nieuwe boek van de Groningse Mariken Jongman heet Sokkenthee en chocola. Hoofdpersoon is de negenjarige Wieske, die met haar vader in een imposante villa woont. Het is vakantietijd, er zijn geen kinderen in de buurt en dus verveelt Wieske zich. De buurvrouw is een ‘mevrouwige mevrouw’, die gul trakteert op ‘sokkenthee’ en zelfgemaakte bonbons. Samen met de oude vrouw en het bankpasje van haar vader huurt Wieske een leegstaande villa. Daarin wil ze een leuk en kinderrijk gezin gratis laten logeren. Maar het wordt een rommelige Flodderfamilie met hangzonen en een venijnige dochter. En dat levert natuurlijk genoeg complicaties op voor een boek vol actie.
Jongman zet de verhaallijnen behendig op, brengt met onverklaarbaar gedrag nog wat extra spanning en lost alles aan het eind keurig op. Het lijkt op het eerste gezicht een niet zo diepgaand verhaal met wat buitenissige mensen, die leven in de brouwerij brengen. Maar al gauw ontdek je dat de personen meer dan karikaturen zijn. Of het nu de oude vrouw is, die doet alsof ze samenwoont met een zorgzame man, een boosaardig meisje dat rust zoekt op het kerkhof of Wieske zelf: ze zijn allemaal eenzaam. Allemaal maken ze ook een beloftevolle verandering door. De buurvrouw durft iets geks te doen, Wieskes vader neemt meer tijd voor zijn dochter, het Floddergezin komt uit de luie stoel en gaat iets ondernemen. En Wieske lijkt in het boosaardige meisje een vriendin te vinden.
Sokkenthee en chocola is een geestig boek met concrete humor, gericht op komische verwikkelingen. Precies zoals jonge kinderen het willen. En net als in Jongmans boeken voor oudere jeugd (Kiek en Rits) is er die mooie, laconieke vertelstijl. Ze schrijft ook nu vanuit het kind, met leuke observaties (als je een appel dun schilt kun je door de schil kijken) en liefde voor de taal. Wieske en haar vader bewaren bijvoorbeeld nieuw bedachte woorden in een Woordenschatkistje. Goed bedoeld liegen heet bij hen frokkelen. En een boek als dit zou Wieske denk ik gewoon een grapsturig bruisboek noemen.
 

Onderstaande column over 'Het geheime dagboek van Klein Duimpje' van Philippe Lechermeier verscheen in december in het Dagblad van het Noorden.

Met Klein Duimpje op een onbewoond eiland

Door het universele karakter van sprookjes blijven diepe zielenroerselen van de personages meestal buiten beschouwing. Voor schrijvers dus ruimte om sprookjes ‘in te vullen’. Het uit het Frans vertaalde Geheime dagboek van Klein Duimpje is zo’n bewerking.
Het dagboek volgt in grote lijn het verhaal zoals wij het kennen: hongersnood, het broodkruimelspoor, de mensenetende reus en de triomfantelijke thuiskomst in zevenmijlslaarzen. Maar de gebeurtenissen worden nu uitgesponnen en Duimpje leren we van binnen uit kennen. Hij  is nog even slim, maar kent ook zijn zwakke momenten en is verliefd op Mariballe Maribold. De zes broers krijgen een naam en een eigen identiteit, evenals andere personen.
Het is niet meer het sprookje dat we kinderen vertellen of in de Efteling verbeeld zien. Daarvoor is het te gedetailleerd en te ingenieus. Het boek zit barstensvol literaire buitelingen, fantasievolle uitweidingen en taalgrapjes. Niet alleen kom je er reuzen tegen, maar ook de tijdgrenzen wijken. De uitbuitende landheer is een middeleeuwer, maar in De Rode Herberg  kun je de rekening voldoen met een betaalpas.
Het taalgebruik is poëtisch door onopvallend rijm, soms juist opvallend door een rijmvondst (een barracuda uit Nicaragua!). De Franse auteur Lechermeier maakt graag mooie opsommingen: de bijnamen van Klein Duimpje, de voedselvoorraad van de reus, lijstjes van Vrolijke Vreugdes en Erge Ellendes (waarmee hij meteen het karakter van Duimpje tekent.)
De prachtige illustraties van Rebecca Dautremer geven aanvullende informatie. De personen tekent ze vaak in close-up, maar ze kan ook uit de voeten met een hotelfolder, het Certificaat van Achterlating van kinderen en ‘technische’ tekeningen zoals het aandrijfmechanisme in de zevenmijlslaarzen.
Alles klopt in dit boek, want het is ook nog eens creatief vertaald door Van de Vendel en bijzonder vormgegeven: tekst in drukletter en in kriebelhandschrift van Duimpje. Echt een boek om mee te nemen naar een onbewoond eiland dus! Met meer dan tweehonderd bladzijden, kun je het tot in lengte van jaren puzzelend lezen en bekijken en steeds weer iets nieuws ontdekken.

Onderstaande column over 'Ik leer je liedjes van verlangen' van Bette Westera verscheen in oktober in het Dagblad van het Noorden

Het heimwee van de heggenmus

In dierenverhalen praten de dieren meestal als mensen, maar de mate waarin ze verder vermenselijken varieert. Voor heel jonge kinderen kan een varken nog in een matrozenpakje op een driewieler rondfietsen. Hoe ouder de kinderen worden hoe meer het dier zichzelf zal zijn.
In  Ik leer je liedjes van verlangen van Bette Westera vinden we dierenverhalen voor 8+. Maar een schaap drinkt er zijn espressokoffie en de duizendpoot heeft het druk met sokken wassen. Dat heeft een humoristisch effect, maar misschien vraagt de leeftijdsgroep toch wat meer realisme.
Los van dit zijn het mooie verhalen op rijm over dieren die een probleem hebben of een verlangen koesteren. Westera koppelt menselijk gedrag daarbij vaardig aan de eigenschappen van het dier. De oester is bijvoorbeeld een gesloten personage, de slingeraap legt het bos vol slingers en wil ook de vrouwtjes versieren.
De start van een verhaal is vaak limerickachtig: ‘Er lag eens een kwal uit het zonnige zuiden verkleumd en alleen op het strand van IJmuiden.’ Maar al gauw zijn we daarna aan het filosoferen over identiteit en bestemming van het individu: de kwal mist een verborgen agenda, want hij is doorzichtig en iedereen doorziet hem dus. De heggenmus wil de veilige meidoorn graag inruilen voor de hoge eik. De buizerd zal hem daar pakken, maar liever dat dan een risicovrij maar saai leven.
Het taalgebruik is speels, creatief en uiterst verzorgd, met veel woordgrapjes: de scharrelkip valt van haar stokje; als de das en de dagpauwoog vrijen, krijgen ze vlinderdasjes. Kinderen zullen bij dat taalspel wel eens een grapje missen. Bijvoorbeeld de aap die broodjes-aap-verhalen schrijft en je apekooltjes stooft. Maar die passages zijn dan voor ouderen, want zoals alle goede jeugdliteratuur is dit boek ook geschikt voor volwassenen.
Bij elk dier maakte Sylvia Weve fraaie tekeningen. Schijnbaar achteloos neergezette penseelvegen waarin de details met scherpe pentekening in de waterverf zijn aangebracht.

Deze column over 'De hemel van Heivisj' van Benny Lindelauf verscheen in het Dagblad vh Noorden

Het uilenoog van oma Mei

In 2004 verscheen Benny Lindelaufs jeugdroman Negen Open Armen, een indrukwekkend boek over een Limburgse familie en nu is er het vervolg met De hemel van Heivisj. Het meisje Fing vertelt deze keer over de oorlogsjaren, als haar broers en ‘de’ Pap naar Duitsland worden gebracht. Fing is dertien jaar en krijgt een baantje bij de Duitse vrouw van de ‘sigarenkeizer’, de belangrijkste man van Sittard. Ze moet Liesl, het onhandelbare nichtje van de ‘Pruusin’, gezelschap houden.
Ook in dit boek komt er weer een parade van bijzondere mensen voorbij. Allereerst de familie zelf: Fing en haar zusjes Muulke en Jes, haar broers, ‘de’ Pap en de onbuigzame oma Mei met haar tollend uilenoog. Soms schuiven de doden uit de beschuittrommel met hun foto ook nog aan. Daarnaast zijn er de vaak excentrieke mensen uit de streek, zoals de sigarenkeizer en de imbeciel.
De hemel van Heivisj is een boek met sterke karaktertekening en beeldend taalgebruik. Mooi zijn ook de natuurbeschrijvingen: bij Lindelauf hangen de leeuweriken hoog in de lucht en de wind fluistert er door de eiken. Het verhaal sleurt je met cliffhangers onweerstaanbaar naar een daverende slot. Dan vallen de bommen, het mijnpaard Heivisj slaat op hol en Fing vlucht met het Joodse meisje Liesl voor de NSB’ers. Dan wordt ook duidelijk waarom Liesl haar oude jurk nooit wilde afstaan en waar de spookgeluiden in de kelder van Negen Open Armen vandaan komen.
Veel etiketten passen op dit boek: oorlogsroman, psychologische roman, historische roman, familieroman, streekroman. Maar het is vooral een boek met onvergetelijke verhaalfiguren.
Het is de moeite waard om zes jaar te wachten, als je daarna zo’n boek kunt lezen.

Onderstaande column over 'Slangenkuil' van David Almond  verscheen in mei 2010 in Het Dagblad van het Noorden

Balanceren boven een slangenkuil

In de jeugdromans van de Brit David Almond vinden we meestal kwetsbare jongeren die zich in moeilijke situaties toch staande houden. Het zijn spannende boeken, vol mysterie, vaak spelend op geheimzinnige locaties: een steengroeve, een slikveld of zoals in Slangenkuil: een grot.
In dit nieuwe boek begint de spanning direct al bij aanvang. Er hipt een kauwtje rond en de hoofdpersoon vindt een oud snoeimes. Al snel ontdekken ze in een ruïne een baby. Er duikt nog een slechterik op en dan zijn we ook al op weg naar een heftig slot.
Het gaat bij Almond nooit om klein puberleed, maar om levensvragen. Nu filosofeert hij over het geweld in de wereld en het toeval dat je leven bepaalt. Je kunt zo maar een kindsoldaat worden als je zoals de asielzoeker Oliver in Liberia geboren bent. Geweld speelt een grote rol in het boek. Er is een militaire oefening gaande. Een sadistische oud-vriend maakt video’s over onthoofdingen in Irak en verzint spelletjes rond een kuil vol gifslangen.
Almond lijkt met dit verhaal te willen zeggen dat we in het leven allemaal vondeling zijn. We balanceren gedurig boven adderpoelen en voor je het weet ben je nog een moordenaar ook. Deze mens- en maatschappijvisie is  niet zo origineel sinds Sartre. We kenden het slechte in de mens ook al, zeker sinds Auschwitz. Jongeren zullen er misschien nog  aan moeten wennen. Almond is dan wel jeugdboekenauteur en voorzichtig met een uitzichtloos einde. In Slangenkuil overwint het goede dus en voor alle partijen gloort er hoop.                         
                                                                                                                                       
Top

De column over 'Jim' van Judith Eiselin verscheen in maart 2010 in Het Dagblad van het Noorden

Een droombroer op een pirateneiland

Ooit kroop er in het nachtelijk duister een schrijver over de hei van Exmoor. Het was Maarten ’t Hart die controleerde of je echt kon dobbelen bij het licht van dertien glimwormen. Dat doen ze namelijk in een boek van Thomas Hardy en in realistische literatuur mag een auteur de werkelijkheid natuurlijk geen geweld aandoen. Om een verhaal echt te laten lijken gebruikt een schrijver daarom literaire trucs, bijvoorbeeld de vrij drastische illusie dat het boek als reisverslag of dagboek is gevonden.
Het lijkt even of Judith Eiselin die schijn ook zocht voor haar nieuwe boek Jim. Weliswaar is dat niet rechtstreeks het dagboek van de hoofdpersoon Kiki, maar die heeft wel een dagboek en dat ziet er aan de buitenkant net zo uit als Eiselins boek.
Kiki vertelt van haar vakantie met ouders en broer op het voormalige pirateneiland Sark. Zo heel ontspannen verliep haar leven tot nu toe niet. Haar autistische broer vernielt geregeld haar spullen en haar ouders praten dat probleemgedrag alleen maar goed. Nu heeft hij zelfs haar lievelingsknuffel Pimmetje de kop afgerukt. In de trein ziet Kiki in de weerspiegeling van een ruit een knappe jongen. Zo’n broer had ze ook kunnen hebben! Als ze zich omdraait is de droombroer verdwenen, maar hij laat van zich horen. Hij stuurt zelfs een mailtje en zet sporen uit op het vakantie-eiland. Hij zal daar op haar wachten!
Gelet op de werkelijkheidsillusie is Jim een interessant boek. Het speelt niet op een fantasie-eiland, maar op een bestaand Kanaaleiland. Het is gedocumenteerd met kaartjes, foto’s van gebouwen en realia: servetjes van het hotel, zelfs ‘authentieke’ reisdocumenten op naam van Kiki. Zo gaan we geloven dat Kiki echt bestaat en net als Eiselin op het pirateneiland is geweest. Aan de andere kant is de raadselachtige Jim uiterst vaag. Dat is op zichzelf gezien niet vreemd, want Jim is een hersenschim en die zijn van nature zweverig. Maar zijn acties vinden wel plaats in de werkelijkheid van het boek. En de wijze waarop Kiki de uitgezette sporen vindt en kan volgen, zou de controledwang bij ’t Hart behoorlijk aanwakkeren.
Al met al zorgde Eiselin dus voor veel ‘echtheid’, maar ze schreef allereerst een spannend boek over een meisje dat overhoop ligt met haar broer en haar ouders. De afloop is niet helemaal onverwacht, maar toch mooi. Eindelijk ook eens een goed boek voor meisjes die zo gek zijn op paarden. Maar wel jammer dat het door al dat knuffel- en paardengetroetel minder toegankelijk is voor jongens.

Onderstaande column verscheen in de jaaragenda 2010 van de Standaard Boekwinkels in Vlaanderen. Alle genomineerden voor de Gouden Uil 2009 leverden daarvoor een bijdrage.

De bijbel van de jeugdboekenschrijver
Juf Stubbe was zo mooi dat ik me bij het opzeggen van de tafels verslikte als ze me aankeek. Ik wist ook zeker dat de engelen in de hemel op haar leken. Maar hoe kon het dat uit de mond van zo’n lieve juf zulke verschrikkelijke verhalen kwamen? Onze klasgenoot Bertus was door God bijvoorbeeld wat haastig in elkaar gezet, zodat hij met een klompvoet door het leven moest. Toen Henk Veen dat mankement aangreep om hem uit te schelden voor mankepoot, beval Stubbe ons onmiddellijk de armen over elkaar te doen. Zij opende de Bijbel en vertelde van de profeet Elisa, die door kinderen werd uitgescholden voor kaalkop. En toen stuurde God twee berinnen die de kinderen snel in stukjes scheurden. Tweeënveertig kinderen, een hele klas! Wij sidderden in onze bankjes en verwachten elk ogenblik dat er bij ons roofdieren over het schuttinkje rond het schoolplein zouden springen.
Zo waren er meer gruwelijke verhalen: vader Abraham bijvoorbeeld die zijn eigen zoon Isaäk op takkenbossen legde om hem in opdracht van God te offeren. Ik hield als kind hartstochtelijk van God, alleen al omdat hij juf Stubbe had gemaakt. Maar ik was ook bang voor hem, want hij hield duidelijk niet van kinderen. Een kind wordt in de Bijbel immers gelijkgesteld met een dier, waar je naar willekeur over kunt beschikken. Jezus was wat liever. Hij zei tenminste ‘Laat de kinderen tot mij komen.’ Maar die paar keer dat bij hem een kind in beeld komt, is het om zijn grootheid in het licht te zetten, bijvoorbeeld als hij het dochtertje van Jaïrus opwekt uit de dood.
De Bijbel is geschreven vanuit het arrogante perspectief van de volwassene. Kinderen zijn niet belangrijk, ontbreken vaak helemaal. Zaten er kinderen in de ark van Noach? Waren er kinderen bij toen Jezus een schare voedde met visjes en brood? Kenmerkend is dat God bij de schepping het kind al overslaat. Adam en Eva stappen ineens volgroeid in het Paradijs rond. Het enige mensenpaar dat nooit een jeugd heeft gekend. Wat moet Eva opgekeken hebben toen het ongekende verschijnsel van de zwangerschap zich aandiende. En we horen van Kaïn en Abel pas weer iets als ze al groot zijn en de een de ander doodslaat. Sara krijgt als oudere vrouw een kind, maar ook Isaäk zien we niet opgroeien.
Het valt ons misschien niet op dat het kind in de Bijbel ontbreekt. We zijn het gewend en met het kind wordt alles wat er mee te maken heeft ondergewaardeerd, ook het kinderboek en de makers ervan. Zelfs op de Gouden Uil-feesten in Vlaanderen wordt de jeugdliteratuur snel even weggezet, om daarna opgelucht aan het eigenlijke werk te kunnen beginnen. Het leven begint eigenlijk pas als je volwassen bent en als kind leer je ook dat zo snel mogelijk te worden. Pas als je oud bent realiseer je je dat de jonge jaren de mooiste van je leven waren. Die prachtige tijd als de tover een sluier over je leven legt en je droomt van de mysteries die je nog niet kent.
Het is een ongehoorde wens het boek te hebben willen schrijven dat een ander al schreef. Het is helemaal aanmatigend als je de Bijbel had willen schrijven. Maar zo vaak hoorde ik dat je als schrijver een godje bent, iemand die werelden schept die nog niet bestonden. Als jeugdboekenauteur had ik dus wel graag willen assisteren. Niet om van de Bijbel een kinderbijbel te maken, want daarmee blijft het dezelfde bijbel in kindertaal. Ik had kinderen willen laten meedoen in de Bijbel. Wat dacht het dochtertje van Jaïrus toen ze haar ogen weer opendeed en Jezus zag? Wat dacht Isaäk toen hij het mes boven zich zag flikkeren? Heeft hij daarna ooit zijn vader nog weer vertrouwd?  En je zult toch geboren worden als de zoon van God. Ik had graag laten zien dat de wonderen van Jezus zich in de timmermanswerkplaats van Jozef al aandienden. En misschien had ik Jezus ook wat kattenkwaad laten uithalen, want als kind al vroeg ik me af of hij nooit vogelnestjes had uitgehaald of aan deurtje bellen had gedaan.

 

Onderstaande column over Allemaal willen we de hemel van Els Beerten verscheen in mei 2009  in het Dagblad van het Noorden

Op zoek naar de hemel in oorlogstijd                                        
Zo af en toe kom je een boek tegen waar je een tijdje mee leeft. Zo’n boek als Allemaal willen we de hemel van de Vlaamse schrijfster Els Beerten bijvoorbeeld. Ik las het met onderbreking, niet alleen omdat het 500 bladzijden dik is, ook omdat het boek je aan het denken zet en ik veel terugbladerde om te zien hoe iemand het voor elkaar krijgt om zo flonkerend te schrijven.
Allemaal willen we de hemel is een roman in de traditie van de grote Vlaamse vertellers uit de vorige eeuw. Het gaat over een dorpsgemeenschap in oorlogstijd, waarbij een mijnwerkersgezin met drie kinderen centraal staat. De zoon Jef, de dochter Renée en het ‘mirakelmannetje’ Remi, dat overal buiten wordt gehouden en dan maar met een ‘mirakel’ de onbegrepen problemen oplost. Daaromheen wat anderen, met vooral ruimte voor de vriend van Jef, de saxofoonspeler Ward. Hij wordt slachtoffer van de Duitse propaganda en gaat als SS’er naar het oostfront om te vechten tegen de goddeloze bolsjewieken.
Het is een majestueus boek, dat op veel punten te prijzen valt: nauwgezette research, knappe dialogen, en geschreven in helder Nederlands, met af en toe zo’n prachtige uitschieter uit de Vlaamse vocabulaire. (‘Ik was een platbroek, een schrikschijter van de bovenste plank.’) Het is een spannend boek, omdat er een moord centraal staat. Maar het is veel meer, want het gaat over de keuzes die mensen maken, met als belangrijkste die van Jef en zijn vriend Ward. Heb je de moed om voor de waarheid te kiezen of red je je hachje met een leugen? En voor Ward: Kun je zo groot zijn dat je de schuld op je neemt om de werkelijk schuldige te redden? 
Het boek vraagt wel veel van jonge lezers, ook omdat bij het wisselend perspectief vier verschillende personen het woord voeren. Bij een nieuw hoofdstuk duurt het vaak even voor je door hebt welke ‘ik’ er vertelt. Dat was niet nodig geweest en had snel opgelost kunnen worden door de naam van de verteller boven de hoofdstukken te zetten. De sprongen door de tijd worden immers ook met een jaartal aangegeven.
Allemaal willen we de hemel werd genomineerd voor de Gouden Uil Jeugdliteratuur en had die prijs eigenlijk ook moeten winnen. Het gebeurt hoogstens één keer in een decennium dat er een boek als dit wordt geschreven. Sterker nog: het had ook de Gouden Uil voor de volwassen literatuur kunnen winnen, want het is net zo goed een prachtig boek voor volwassenen.  
                                                                                                                                     
Top

De column over Zus van Sanne Parlevliet verscheen in november 2008  in het Dagblad van het Noorden

Stel je voor dat ik jou was
Veel treurnis in de menselijke omgang komt voort uit ons gebrekkig ontwikkeld invoelingsvermogen. Misschien ontbreekt het ons daar zelfs helemaal aan en blijft de mens tegenover je altijd de ander. Over dit tekort en het schuldgevoel daarbij gaat het in Zus, het debuut van de Groningse Sanne Parlevliet.
De hoofdpersoon Mirjam (13) kampeert met haar ouders op een Waddeneiland. Deze zomer voor het eerst zonder haar zus Stine (14), die na een verschrikkelijk incident ergens is opgenomen. Mirjams ouders doen krampachtig alsof er niets is gebeurd, maar de werkelijkheid is anders. In een doorwaakte nacht schrijft Mirjam een lange brief aan haar zus. Ze wil achterhalen waarom ze Stine niet geholpen heeft toen ze ontdekte dat die gepest werd. Het spelletje van vroeger (‘Stel dat jij mij was.’) wordt ernst. Mirjam identificeert zich met Stine om te voelen hoe het is als je zo alleen staat. Die vereenzelviging gaat zelfs zover dat Mirjam zoent met Stine’s vriendje. En nu heeft ze ook nog straf (‘tentarrest’), net zoals haar zus ergens in detentie is.
Mirjam realiseert zich dat er twee soorten mensen zijn: schrijvers en lezers. Stine is het leestype net als haar moeder. Ze praten moeilijk over zichzelf. Wat ze voelen of denken, vinden ze in de boeken en zo leren ze zichzelf kennen. De onderstreepte passages in Stines boeken vormen eigenlijk haar dagboek. Mirjam is een schrijftype. Ze schrijft om haar eigen gedrag te verklaren. Maar ook om haar zus te helpen door het gebeuren voor haar te verwoorden.

Zus is een intelligent uitgedacht en vakkundig opgebouwd boek, met spanning op twee niveaus: wat is er gebeurd met Stine en waarom heeft Mirjam tentarrest? Het is helder geschreven: traag op momenten van bezinning, vol vaart bij een calamiteit. Volgens de schrijfster is het geen autobiografisch boek. Ze heeft niet eens een zus! ‘Ik schrijf over situaties die ik niet ken, maar wil leren kennen,’ zei ze in een interview. Maar dat is wel precies wat Mirjam in het boek ook doet. En daarmee lijkt Parlevliet het dan toch over zichzelf als schrijver te hebben. Schrijven is immers ook observeren en zich identificeren met. Dat Parlevliet dat kan is in ieder geval duidelijk. Het blijkt uit de wijze waarop ze een opstandige puber beschrijft, een zeurderige moeder, een sullige vader. Het blijkt ook uit de aandacht voor details: verkleuren sproeten echt bij lipspanning? Al met al is Zus een belangrijk boek, dat veel lezers verdient en die mogen dan net als Stine veel passages onderstrepen.

Onderstaande column over Bernie King en de magische cirkels van Daan Remmerts de Vries verscheen in oktober in het Dagblad van het Noorden.

Bernie krijgt een apenstaart
Bernie King is een jongen die in het dorp bekend staat om zijn grappen en apenstreken. Als hij bij aanvang van het verhaal dus beweert een slak met handjes te hebben gevonden, zou dat ook best een grap kunnen zijn. Bernie King en de magische cirkels lijkt zo een realistisch verhaal, net als Godje waar Daan Remmerts de Vries een gouden griffel mee won. Maar dan krijgt Bernie het vreselijke mens Zwellengrebel als buurvrouw. En die naam alleen al laat je schrikken. De planten in haar voortuin zijn vleesetend en als Bernie het huis binnensluipt ziet hij daar de vreselijkste dingen. Al gauw blijkt dat Zwellengrebel een heks is die kinderen omtovert in een dier. Zo wordt Bernies vriendin een konijntje, een ander een slak. Gelukkig houdt een spiegel de toverflits bij Bernie tegen, zodat hij wegkomt met een apenstaart en wat extra beharing rond het zitvlak.  
Op het eerste gezicht lijkt het boek zo een Potterkloon te worden. Er is een boosaardige heks, er zijn bezemstelen, toverboeken en magische spreuken. Maar de verschillen tillen het boek uit boven de Potter-malligheid. Harrie Potter leeft in een magische wereld en Bernie meer in een realistische wereld waarin magische dingen gebeuren. Belangrijk is ook dat de avonturen van Bernie geestig zijn. Fantastische verhalen zijn dat doorgaans niet. Bij sprookjes en horrorverhalen valt er niks te lachen. Ook Potterboeken zijn avontuurlijk en griezelig, maar niet humoristisch. Dat is ook logisch: humor werkt relativerend: een lach ondermijnt de ernst en breekt de spanning en dat is niet de bedoeling in dat soort boeken.
Remmerts de Vries heeft het talent om zich uit te leven in bizarre toverkunstjes en de grappige gevolgen daarvan. De figuren zijn soms karikaturaal, maar komisch, met als topper Bernies vader. Dat is een oplichter die niet bestaand land verkoopt en zelfs uit Bernies aapachtig gedrag munt slaat door entreegeld te vragen. Terloops levert de auteur zo wat maatschappijkritiek: hij drijft de spot met de geldzucht van de vader, elders met het geroddel van mensen en het hitsige gedrag van pubermeiden. Geestig zijn ook de details, bijvoorbeeld het tafelgebed: ‘Heer, bedankt voor al het eten. Ga vooral zo door met Uw goede giften. Zorg ook dat ik wat meer verdien…’
Het boek is vlot geschreven, met mooie dialogen en rake typering van situaties en personen. Hier en daar klinkt wat museumtaal door (‘Geen van allen durfden ze…’ ‘Daar aangekomen zag hij…’), maar die muggenzifterij moet ik eigenlijk voor me houden. Daar is het boek te spannend voor en het slot te spectaculair en verrassend.

De column over Valstrik van Sonya Hartnett verscheen in april 2008 in het Dagblad van het Noorden

 

Dostojevski in de hitte van Australië                                        

Vorig jaar nog weigerde Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren, omdat hij het prijzengeld van 16.000 euro een aanfluiting vond. En warempel: het bedrag wordt bij de volgende bekroning verhoogd tot veertig duizend euro. Nu de Jeugdliteratuur dus nog, want daar is het ook geen vetpot. De Gouden Griffel bijvoorbeeld is eervol, maar levert de winnaar maar een paar duizend euro op. Dan pakt men in Zweden met de Astrid Lindgren Memorial Award heel wat royaler uit met €. 540.000. Het halve miljoen, waar elk jaar ook Nederlandse jeugdboekenauteurs voor in de race zijn, ging dit jaar naar de Australische schrijfster Sonya Hartnett. Enkele boeken van haar waren al in het Nederlands vertaald en kortgeleden kwam daar Valstrik bij, een belangrijk werk in het bekroonde oeuvre.
Valstrik gaat over een sociaal ontspoorde familie. Vader Willow is het hoofd van de clan, een bruut en dronkenlap en met de moeder en de vijf kinderen is ook van alles aan de hand. Ze bewonen in een uithoek van Australië een verwaarloosde boerderij met veel honden en rotzooi om de deur. Op hun ‘camping’ ontvangen ze wel gasten, maar dat doen ze alleen voor het geld, want ze houden niet van vreemden. De kinderen dromen in hun isolement van de vrijheid, maar ze weten ook dat ze het milieu nooit zullen verlaten. Ze accepteren de halve waanzin van hun moeder en de woede-uitbarstingen van hun vader. In die gesloten wereld dringt de landschapschilder Fox door. Hij wint het vertrouwen van de jongste zoon en ontfutselt hem zelfs een incestgeheim.
Hartnett bouwt haar familieportret op zoals de kunstenaar het landschap schildert: traag, met alle aandacht voor details. Het hele leven op de boerderij is in de broeiende hitte immers ook traag. Maar de lezer voelt dat er elk ogenblik een uitbarsting kan komen. En na ruim honderd bladzijden is er ineens die versnelling. De kunstschilder maakt misbruik van zijn kennis en dan volgt er een woeste finale vol gruwelijke wraak en weerwraak.
Valstrik
is een prachtig geschreven en knap opgezette roman. Het wisselende perspectief zorgt ervoor dat we alle personen van binnenuit leren kennen. De dreigende vooruitwijzingen (veel dode dieren) roepen spanning op. En het gaat bij Hartnett niet over klein puberleed, maar over grote emoties, over primaire driften en duistere krachten in de mens. Het boek doet in dat opzicht denken aan het werk van de grote 19eeeuwse realisten. Die sympathie lijkt Hartnett ook uit te dragen. Waarom zouden de kinderen in opdracht van vader Willow anders ook Misdaad en straf van Dostojevski lezen?  
                                                                                                                                              
Top           

Onderstaande tekst  over Watson van Martha Heesen  verscheen in november 2007 in het Dagblad van het Noorden

De geniale uitvinding van een muizenverdrijver               
Ooit ontwikkelde mijn opa een muizenval met zoveel poortjes en zacht sluitende luikjes, dat kleine ritselaars zonder verplettering gevangen konden worden. Ik benut het wat wormstekige bouwsel nog altijd om de zoogdiertjes vriendelijk te vangen, zodat ik ze bij een verre buur weer kan laten lopen. Het is een pracht uitvinding, maar het is niets vergeleken bij wat de tienjarige Carl in Watson, het nieuwe boek van Martha Heesen, allemaal bedenkt. Carl is een geniale uitvinder: hij ontwerpt zomaar een automatische bladzijde-omslaander voor lezende moeders, een wakkermaker met automatische deken-wegtrekker en natte-washand-kletser. En als de opa van zijn vriendinnetje Veerke last heeft van muizen weet Carl de kleine knabbelaars via een ingenieus buizenstelsel snel de deur uit te zetten. Het werkt zo goed dat ook Watson, de troetelmuis van Veerke, per ongeluk buiten in de kou belandt en daar het loodje legt. Dat levert Carl een genadeloze afwijzing van Veerke op. Ze wil niet meer praten en hij moet wekenlang met ‘heroveringstrategieën’ proberen haar genegenheid terug te verdienen.
Alle emoties die treurnis of vreugde brengen in het leven van volwassenen, vinden we terug in goede kinderboeken. Dat is een van de redenen waarom steeds meer volwassenen die boeken ook lezen. Het kost in Watson bijvoorbeeld geen moeite om in het gesteggel tussen Carl en Veerke een klassiek man-vrouw-conflict te herkennen. De een is beledigd en straft met afwijzing, waarna de ander een hulpeloos goedmakingoffensief inzet. Maar in eerste instantie is Watson natuurlijk een boek voor kinderen.
Martha Heesen is wel eens gekenschetst als een auteur van boeken die alsmaar bekroond worden, maar waar kinderen niet mee uit de voeten kunnen. Met haar laatste boeken (ook: Maandag heeft vleugels en Wolf) toont ze aan dat hoge kwaliteit en leesbaarheid kunnen samengaan. Watson is een intelligent en geestig boek, waarin de gevoelens van kinderen genuanceerd worden beschreven en het is ook nog eens spannend en vlot leesbaar. En wat een schitterende combinatie vormen auteur en illustrator hier. De taalvirtuositeit van Heesen en het tekentalent van Hofman sluiten wonderwel op elkaar aan. En het blijft niet bij één omslagtekening. Het boek staat boordevol fraaie priegeltekeningen, waarmee Hofman Carls uitvindingen invult en aanvult. Vernuftige muisverwijderingapparatuur, huisvestingsfantasieën, instrumenten om knagers ten grave te dragen: het is allemaal een lust voor het oog. In mijn eregalerij van ‘muisboeken’ stond tot nu toe Pieperds van Tjibbe Veldkamp vooraan. De gemene Baldini bouwt daarin een val die muizen tot doperwtgrootte samenperst. Maar dat boek krijgt nu toch ernstige concurrentie van Watson.

De column Tranen bij een boek is verschenen in het onderwijsblad Taal Lezen Primair. November 2007

Tranen bij een boek
Mensen mogen graag medemensen observeren. Schrijvers hebben die neiging geprofessionaliseerd. Zo kunnen ze hun boeken werkelijkheidsgetrouw schrijven. Maar natuurlijk blijven ze ook gewoon nieuwsgierig en dan in het bijzonder naar het gedrag van lezers. Vooral in de trein valt er veel te zien en zelden zit je zo dicht bij een lezer. Maar het observeren is wel millimeterwerk, want lezers zijn doorgaans niet erg beweeglijk en zwijgzaam. Je moet het hebben van non-verbaal gedrag: een mond die open zakt, een zucht, een glimlach.
Heel bijzonder moet het zijn als je iemand ziet die een boek leest dat je zelf geschreven hebt. Dan is het niet alleen nieuwsgierigheid, maar ook een poging eenzaamheid te doorbreken. Schrijven is immers communiceren met mensen die je niet ziet en die geen antwoord geven. Carmiggelt kreeg ooit zo’n lezer tegenover zich. De man las een kronkel, at een broodje, morste een sliert jam op het boek en liet het tenslotte ook nog achter in de trein. Misschien maar goed dat ik mijn lezer dus nog nooit zag. Soms droom ik er wel van: dan stel ik me voor hoe hij op zijn zolderkamertje zit te lezen. Het is een loodgieterszoon uit Hengelo; hij heeft voor mijn boek gespaard. In Korea zie ik in de metro warempel een meisje met De Peperdans van Panzibas. En die Israëlische soldaat in het pantservoertuig, hij vergeet toch niet het boordkanon!
Natuurlijk ontmoet ik wel eens lezers, maar dan is de reactie toch nog achteraf. Het blijft mooi, daar niet van, vooral als het een bekentenis is. Zo verklapte een bibliothecaresse uit Drenthe me een geheim rond het boek De Circusfietser. Er komt in het boek een jongen voor die het verschrikkelijke woord axolotl kent. Als je het luid op straat roept rommelt het als de donder en moeders schrikken ervan. De toch zo beschaafde bibliotheekvrouw bekende dat zij het had uitgeprobeerd: uitbundig axolotl roepend was ze door het dorp gerend.
Uit de tweede hand hoorde ik van huilende lezers. Een Vlaamse student schreef me:  “Mijn lief zegt dat zij in haar jeugd weende bij Het Peergeheim. Ach, meneer, zend mij dat boek, opdat ik die tranenvloed vol onschuld nog eens kan oproepen.” Ook was er een Française in mantelpakje die met hetzelfde boek gesignaleerd werd in een vliegtuig. Is het niet prachtig als een harde zakenvrouw, een executive vice president, zachtjes snikt bij jouw tekst? Natuurlijk had ik het nog liever zelf gezien. Maar dat zou het opperste geluk geweest zijn en gelukkige schrijvers maken geen mooie boeken meer.
 

Slaaf Kindje Slaaf werd eerder door Harm de Jonge besproken in Het Dagblad van het Noorden en in de brochure Children’s Books from Holland, door het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds gemaakt voor de Kinderboekenbeurs in Bologna. Juni 2007

Een slaafje op een zilveren schaal
                                                                                ‘Ik zag opeens hoe zwart ze zijn, hoe mooi wit ik ben.’
                                                                                 (
Dolf Verroen: Slaaf Kindje Slaaf).
Het nieuwe boek van Dolf Verroen Slaaf Kindje Slaaf begint met een verjaardagsfeestje. Maria, de dochter van een plantagehouder in Suriname, wordt twaalf jaar en krijgt cadeautjes. Op een zilveren schaal wordt ook een slaafje van goed zeven jaar binnengebracht en van een tante krijgt Maria er ook nog een zweepje bij. Zo sla je de luiheid er wel uit en als het jongetje helemaal niet bevalt verkoop je hem gewoon weer op de markt. Net zoals die mooie slavin van pappa, die sterk in waarde is gedaald sinds Maria’s jaloerse moeder haar gezicht kapot sloeg.

Als een jeugdboekenauteur de zwarte periode van de slavernij als onderwerp neemt, verwacht je dat hij expliciet duidelijk maakt hoe fout het was wat onze voorouders deden. Volwassenen hebben vaak de neiging om kinderen wel even voor te zeggen wat goed en wat slecht is. Maar Dolf Verroen is een betere pedagoog. Hij wil de lezer zelf laten oordelen en laat het verhaal daarom afstandelijk, bijna emotieloos door Maria zelf vertellen. Als kind van haar tijd is het voor haar heel gewoon een mens als gebruiksvoorwerp te zien. Maar heel knap zorgt Verroen er wel voor dat de lezer dat niet óók vindt. Allereerst door Maria niet al te sympathiek neer te zetten: ze is een dom gansje, dat niet nadenkt en zich hoogstens zorgen maakt over de groei van haar borstjes. En ondertussen kiest Verroen genoeg schokkende situaties om de jonge lezer te helpen zijn eigen oordeel te vormen. Het slaafje slaapt bijvoorbeeld als een hond voor de deur en moet een gevallen gebakje van de vloer likken.

Het boek bestaat uit een veertigtal korte hoofdstukjes, met zinnen van vier of vijf woorden. Die zinnen staan met veel wit op het blad en beginnen telkens op een nieuwe regel. Ook omdat er soms subtiel wat binnenrijm is doet het geheel bijna aan poëzie denken. Maar door die eenvoud lijkt het ook een tekst voor beginnende lezers. En dat kan misverstand opleveren, omdat voor een succesvolle Verroen-pedagogiek al wel wat ontwikkeld reflectievermogen nodig is.

Slaaf Kindje Slaaf is al met al een verrassend boek. Niet eerder wist een auteur op zo’n indringende manier met zo weinig woorden jonge lezers tot nadenken te brengen. Verroen deed inspiratie op tijdens zijn bezoek aan de voormalig Nederlandse kolonie Suriname, maar in het verhaal zelf houdt hij tijd en plaats vaag. Daardoor krijgt het boek ook nog iets universeels en verbreedt Maria’s verhaal zich naar uitbuiting en discriminatie in het algemeen.
Het boek verscheen tegelijk in Nederland en Duitsland (Wie schön weisz ich bin). In ons land bleef het boek vrij onopgemerkt, ook de Griffeljury zag het over het hoofd, maar in Duitsland kreeg het meteen belangrijke prijzen: de Gustav-Heinemann-Friedenspreis en de Deutscher Jugendliteraturpreis.
                             
                                                                                                                                                 Top

Het Dagblad van het Noorden rekende De geest van Pegasus van Harm Tilstra tot de mooiste boeken van het jaar 2006. De bespreking van het boek verscheen eerder in Het Dagblad van het Noorden.Januari 2007

Een autistische zwijger in het circus
 Deze winter zag ik in Brussel de luchtschepen en andere fantastische bouwsels van Panamarenko. Vrij vliegen als een vogel: het is altijd een droom van de mens geweest. Talloze Icarussen sprongen van een klif, al of niet met klapvleugels op de rug. Leonardo da Vinci ontwierp zijn ornithopters, de gebroeders Wright vlogen in 1903 de eerste 12 seconden. Ook in jeugdboeken duiken deze dromers op: titels als Het malle ding van bobbistiek en Vleugels voor Jorre schieten me te binnen. Deze week kwam daar De geest van Pegasus van de Friese auteur Harm Tilstra bij.

De hoofdpersoon is Adir, een reus van een jongen met enorme handen, in het begin 12 jaar. Hij groeit op bij exotische circusmensen: een paardentemmer, een lilliputter, trapezeartiesten en torenacrobaten. Iedereen kent hem als een jongen die geen vrienden heeft en niet spreekt. Hij verzamelt plastic zakken, veren, shampooflacons en fietsbanden om er ‘vliegdingen’ van te bouwen. Iemand die wil vliegen wordt in het circus trapezeacrobaat, maar Adir is daar niet geschikt voor. Hij mislukt ook als springplankacrobaat, als menselijke kanonskogel en zelfs als ballonnenverkoper. Zijn moeder minacht hem daarom, maar de schooljuf blijft in hem geloven. Als clown kun je toch een act bouwen op vallen en mislukken! En als je dan ook nog wilt zweven, spring je met een parachute uit de nok van het circus. Maar vallen is geen vliegen. Daarvoor heeft Adir de hulp nodig van de Kozak en zijn hengst Pegasus.

De geest van Pegasus is een wonderlijk boek, fantasievol en intrigerend als de bekende televisieserie Carnivale. Spannend en vol bijbetekenis, maar niet gemakkelijk. Jonge lezers zullen moeite hebben met de overgang tussen werkelijkheid en fantasie en de wisselende verteltijd. Het boek leest soms ook zwaar door de bloemrijke taal en het ontbreken van vaartbrengende dialogen. Het circusvolkje praat wel wat, maar alleen in monologen. En Adir is een autistische zwijger, die in het hele boek zo’n acht woorden zegt. Niemand spreekt hem aan: ze weten dat hij toch niets terugzegt. (Merkwaardig genoeg wordt wel verteld dat hij spreekt: ‘Adir bezwoer haar ...’ ‘Adir stelde zijn vader op de hoogte …’)

Mensen in boeken leren we kennen door wat ze denken, zeggen en doen. Dit boek is niet vanuit Adir geschreven. We kennen zijn gedachten dus niet van binnenuit en omdat hij zwijgt als het graf, resteert alleen de beschrijving van zijn doen en laten. Adir blijft zo een raadselachtige, niet te doorgronden jongen. Ook de ervaren lezer houdt vragen over (waaróm spreekt Adir bijvoorbeeld niet?), maar dat is niet per definitie een tekort van het boek. De mooiste herinneringen bewaar je immers aan boeken die je aan het denken zetten en die je ter controle nog eens wilt lezen. Zo’n boek is De geest van Pegasus.

De Groningse auteur Tjibbe Veldkamp is vooral bekend door zijn prentenboeken. Maar dit jaar nog zal er in de Kidsbibliotheek ook weer een boek voor oudere jeugd verschijnen. Harm de Jonge interviewde hem enige tijd geleden. Het interview verscheen in Het Dagblad van het Noorden.                 September 2006

 Een Tolstoi-jas in de Oranjewijk.

Een ontmoeting met de jeugdboekenauteur Tjibbe Veldkamp
De Franse kunstenaar Duchamp monteerde een fietswiel op een krukje, signeerde een pisbak en verklaarde het handeltje tot kunst. Zulke absurde ingevingen brengen de Groningse jeugdboekenauteur Tjibbe Veldkamp (1962) nog altijd in vervoering. We zitten in de keuken van zijn woning vlak bij het Noorder Plantsoen. De auteur serveert plakjes worst en vertelt over zijn jeugdroman De Lachaanval. De bokkensprongen uit zijn eigen schooltijd in Groningen vormen daarin het uitgangspunt.
“Die verbijsterende tijd op het Willem Lodewijk! Het was verboden om over de middentrap naar beneden te lopen. Iemand met een academische titel stond er bij om overtreders terug te sturen. Alle grappen in dat boek zijn echt. Een spreekbeurt over Duchamp moest natuurlijk op het toilet beginnen. Bij schoolverkiezingen voerden we volstrekt dwaas propaganda voor een medeleerling. Grappen hielpen mij door die school heen: humor om te overleven.”
Een barre schooltijd dus, maar Veldkamp ontwikkelde zo wel wat zijn handelsmerk zou worden: een ernstige humorist in de jeugdliteratuur. Eerst redacteur bij Donald Duck, daarna auteur van absurde, Roald Dahlachtige verhalen. “Ik schrijf voor alle leeftijden, maar het liefst voor kleuters. Het lijkt zo makkelijk, maar niets is moeilijker dan een goed prentenboekverhaal opbouwen.” Veldkamp verwierf er inmiddels faam mee. Bekroond en vertaald: fantastische verhalen vol tegendraadse figuren. Zoals Tobbe uit Het Schoolreisje, die zijn eigen school op wielen bouwt en er mee op schoolreis gaat. Of de 22 wezen, die geen gevaarlijke spelletjes meer mogen doen. 
 
Nieuw voor 7+ is Pieperds!, een hilarisch verhaal over een bijziend jongetje, dat in Hotel Kier en Gat de muizen redt. “De Grote Baldini heeft een krankzinnige kermismuizenval gemaakt. Hij kan er muizen mee vangen, tot balletjes persen en wegslingeren. Pieperds! is een onzinverhaal, dat lekker doordendert. Ik noem het een humoristische actiekomedie. Het jongetje draagt een bril met één glas, gebarsten ook nog. Hij oriënteert zich op geluiden. Ik wilde er eerst een soort hoorspel van maken.” Het werd een boek waarin de geluiden van sprintende muizen, klingelende deurbellen, bonkende Baldinivoeten in ritmisch dansende letters zijn gedrukt. Ondertussen is Veldkamp al weer met nieuwe boeken bezig. “Er liggen drie prentenboeken klaar. En ik begin aan een 10+boek. Heb je trouwens even: Charlotte komt zo met onze kinderen uit de crèche.”
De vaderinstincten in de auteur roeren zich. We gaan op het muurtje voor zijn huis zitten. Zijn ogen zoeken een zwaar met peuters beladen fiets. De auteur en vader oogt ineens wat breekbaar in zijn hooggekraagde jas. Alsof er een Russische verteller uit een vorige eeuw in de Oranjewijk is neergestreken. Er is nog net tijd voor de verboden vraag. Of de contouren van dat nieuwe werk al zichtbaar worden? “Er komen wasknijpers en een brilkoker in voor,” zegt hij en veel meer wil hij niet kwijt. Maar de locatie zal zeker weer te herkennen zijn. En dat is een prettige bijkomstigheid voor de promotors van Groningen. Veldkamps boeken zijn al in 10 talen vertaald. Tot ver buiten Europa kennen ze nu de watertoren in de Herman Colleniusstraat en het Willem Lodewijk Gymnasium. Rusland blijft nog achter, maar als ze Veldkamps Tolstoi-jas zien komt daar gauw verandering in.
 

Er komen elk jaar veel nieuwe jeugdboeken uit. Soms zijn er al weer nieuwe voor de oude goed en wel  bekend zijn geraakt. Dat is wel eens jammer, omdat mooie boeken dan geen kans krijgen. Zo’n boek vind ik bijvoorbeeld De dromenzaaier van Henny Fortuin. Het verscheen ongeveer twee jaar geleden, maar je kunt het al niet meer in de gewone boekhandel kopen. (wel bij De Slegte).                             Maart 2006

 De duivel als marionettenspeler 

De middeleeuwse Zuster Bertken liet zich uit geloofsijver inmetselen. Nog voel ik de huiver toen onze leraar ervan vertelde. Zevenenvijftig jaar zat Bertken in een kluis, door een luikje een bete broods en wat water aannemend. Over zo iemand gaat het ook in De dromenzaaier van Henny Fortuin, al is het daar dan geen heilige, maar een morsige zondaar die ter boetedoening door monniken is ingemetseld. Sette heet hij, een oude marionettenspeler, die ooit zijn ziel aan de duivel verkocht. Hij vertelt zijn levensverhaal.

Als kind ontvlucht Sette het ouderlijke huis om het hulpje te worden van de poppenspeler Malo. Samen trekken ze door het 16e eeuwse Umbrië. Meester Malo blijkt de duivel te zijn, die in de harten van mensen dromen zaait en verlangens inwilligt in ruil voor de ziel. Ook Sette valt de duivel ten prooi. Hij heeft ongekend succes met een eigen marionettentheater, maar de dag komt dat hij zijn ziel terugwil. Hij is de duivel te slim af en het contract wordt verbroken. Maar alles wat hij daarna onderneemt mislukt en uiteindelijk strandt hij als een schurftige bedelaar in een klooster.

Sette vertelt het allemaal aan iemand in zijn kluis. Zo af en toe wordt de biecht ook even onderbroken om het vertelstandpunt in herinnering te brengen (‘Maar dat wilde ik niet vertellen. Luister je nog?’) Door de nauwe opening kunnen hoogstens ratten binnenglippen. De toehoorder is dus geen monnik, eerder de Dood of de Duivel. Of we moeten bijvoorbeeld de duivel niet gepersonifieerd zien, maar zoals dat in Goethes Faust (1808) al het geval is, als de negatieve kracht in de mens. Dan is er niemand bij Sette en spreekt hij tegen de duivel in zichzelf.

Het boek dient zich aan als een realistische (historische) roman, maar er is ruimte om het hele verhaal als een droom te zien. Uitspraken van Sette wijzen in die richting. (‘Ik heb te veel fantasie. Ik loop te dromen.’) Je kunt immers best de duivel als persoon opvoeren, zeker in de concrete wereld van de middeleeuwen, maar ook in 1575 kan een marionettentheater niet wegdruipen en verdwijnen als het contract met de duivel is opgezegd. Dat theater is er dus nooit geweest, het was er alleen in de droom van Sette. Misschien was Sette niet eens poppenspeler, is het verlangen naar aards succes verbéeld. De duivel als marionettenspeler is immers een klassiek beeld: hij heeft de mens aan een touwtje, laat hem dansen als een marionet. Hoe het ook zij, De dromenzaaier is een mooi en intelligent boek. Overal is merkbaar dat er is nagedacht: Sette wil zijn droomtheater bijvoorbeeld blauw en het hele omslag is dus blauw. Ongewild kregen we ook nog een blik in de keuken van de schrijver, waar natuurlijk het meeste wordt nagedacht. In de aanbiedingsfolder werd Sette destijds voorgesteld als een vondeling en het zou een boek van 368 bladzijden worden. Nu het boek er is blijkt Sette een vader en broers te hebben en van de 368 blz. zijn er 108 overgebleven.

Ik vraag me wel af of er over de adviesleeftijd zo goed is nagedacht. Vanaf 11 jaar zegt de uitgever. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een oude man. Identificeert een kind zich gemakkelijk of graag met zo iemand? Met een jongen die poppenspeler wil worden wél. Sette vertelt ook even over zijn jongensjaren en dat deel is aantrekkelijk voor jongeren, maar al gauw gaat het over de (jong)volwassen Sette. Een boek allereerst voor volwassenen dus, daarna voor een select jongerenpubliek en dan toch maar goed dat er 260 bladzijden geschrapt zijn.    
                                                                                                                                                  Top

 Deze tekst gaat over drie boeken, De aanval van Clem Martini, Vogels aan kinderen verteld van Gilles Martin
 
en  Hét boek over Vogels van Ben Morgan.                                                                                                       Februari 2006

 Het kraaienvolk en de geelsnaveltok                 

Deze winter kreeg ik er een paar bijzondere vrienden bij. Elke morgen dienen ze zich met blijmoedig gekras aan. En pas als het broodrantsoen niet al te ruim bemeten is beginnen ze vuige taal rond te slingeren. Kraaien zijn sociale vogels, trouw aan de partner en de soort. En verbazend intelligent: een tipje van mijn jas, een flits van de auto en het stel komt in roekeloze vaart van ver aanstuiven.

Iedereen die aan het vernuft van de zwartrok twijfelt moet beslist de Canadese auteur Clem Martini blijven volgen. Het eerste deel van zijn trilogie over de kraaienfamilie Kinaar, heet De aanval (uitgever Gottmer). Daarin vertelt de 38-jarige Kalum (alle kraaien hebben een K-naam) van de jaarlijkse lentetrek. Traditiegetrouw komt het kraaienvolk samen bij de Herenigingsboom. Daar wordt de balans van het voorbije jaar opgemaakt, de koers voor de toekomst uitgezet en herdacht welke kraaien zijn teruggekeerd naar de Grote Maakster. Dit jaar draait het vooral om de jonge kraai Kyp. In een overmoedige bui veroorzaakt hij de dood van een kraaienjong en Kalum moet de straf uitspreken. De onbezonnen Kyp wordt tijdelijk verbannen. Maar het is dezelfde Kyp die de familie redt als er een sneeuwstorm komt en een oorlog met katten moet worden uitgevochten.

Iedereen die een toom pluimvee heeft, weet dat vogels van dezelfde soort in karakter verschillen als mensen. Dat is het knappe van Martini’s boek: er zijn tientallen kraaien en het zijn allemaal individuen, met begrip en invoelingsvermogen getekend: de ingetogen Kuper die Kym zo leuk vindt, de jaloerse Kyrk, de puber Kyp. De kraaien blijven bij Martini hun vogeleigenschappen houden. Maar ze kunnen praten en hun gedrag wordt bij alle intriges, conflicten en verlangens menselijk geïnterpreteerd. En Martini kan schrijven! Ook al zit je in de volle zon, de barre tocht door de sneeuwstorm volg je kleumend. Het water loopt je zelfs in de mond als Martini een smakelijke kraaienhap van torren en bramen beschrijft.

Voor mensen die pratende vogels toch maar onzin vinden, zag ik twee non-fictieboeken: Vogels aan kinderen verteld (Lannoo) en Hét boek over Vogels (Gottmer). Beide boeken bevatten vanzelfsprekend de basisinformatie over zaken als nestbouw, voortplanting, vlieggedrag, voedsel. Daarnaast staan ze vol wetenswaardigheden. Prachtboeken als je wilt weten waarom flamingo’s roze zijn, hoe vaak een specht per seconde hakt en welke vogel klauwen aan de vleugels heeft. En natuurlijk gaat het niet alleen over de kraai en de mus, maar lees je ook over exotischer vogels als de kakapo, de geelsnaveltok en de hoatzin. De boeken zijn geïllustreerd met unieke foto’s van natuurfotografen. Heel bijzonder is bijvoorbeeld de foto van een fuut die ons haar achterste toont met het ei al half naar buiten geperst. Hét boek over Vogels bevat veel kleine foto’s, mooi geordend op de bladzijde, met korte toelichtingen, wit op zwart. Vogels aan kinderen verteld is minder vol en ook qua tekst wat kindvriendelijker, maar heeft naast de foto’s eenvoudige tekeningetjes die niet iedereen even mooi zal vinden.        
                                                                                                                                                                                                        Top

 Deze tekst  gaat over het nieuwe boek van Rita Verschuur: Moeder en God en ik..           december 2005

Halfbroertjes zijn hele jongetjes                       

Mijn Juf Stubbe was een engel, maar dat ze de dag begon met duistere bijbelverhalen legde een schaduw van gruwel over mijn jonge jaren. Ik leerde een God kennen die kinderen liet verscheuren door beren, omdat ze een profeet uitscholden voor ‘kaalkop’. Die Abraham ertoe aanzette zijn zoon te offeren en toen dat niet meer hoefde nog wel een ram om zeep liet helpen. God hield niet van kinderen en dieren, dat was duidelijk. Had mijn nachtgebedje ‘Here, houd deze nacht over mij de wacht’ nog wel zin? Ik bad het met open ogen om roofdieren voor te zijn en voor alle zekerheid ging mijn witte muis mee naar bed.

Over die God in een kinderleven gaat het nieuwe boek Moeder en God en ik van Rita Verschuur. De hoofdpersoon heet onverhuld Rita Verschuur. God komt halverwege de vorige eeuw haar wereld binnen samen met een streng gelovige stiefmoeder. Het blijkt een moeder die veel te luid liederen zingt (‘Jubelt, jubelt blij o christenheid.’) en zalig een verboden (want katholiek) woord vindt. Volgens Rita is ze ‘een soort Bonifatius die ons wil bekeren.’ Daarom moet ze naar de zondagschool in het Maranatha-gebouwtje, waar de zusters Mastenbroek met krijsstemmen het evangelie brengen. Net als haar vader ziet Rita zichzelf als een heiden, maar ze wil wel alles van het geloof weten. Ze leest de Kinderbijbel, raakt met God ‘in de knoop’ en worstelt met vragen als: ‘God schiep alles, maar wie maakte God?’

Rita Verschuur verwierf faam met haar Astrid Lindgren-vertalingen. Daarnaast is ze al jaren bezig met een serie autobiografische romans, waarvan Moeder en God en ik het achtste deel is. Het zijn stuk voor stuk indrukwekkende boeken, waarmee ze regelmatig in de prijzen viel: voor Vreemd land kreeg ze een zilveren griffel, voor Jubeltenen de Gouden Uil. De formule is altijd gelijk: een honderdtal stukjes, soms niet langer dan een halve bladzijde. Geen sterke verhaallijn, geen adembenemende plot, eerder een van verschillende kanten belichte situatie. Het doet denken aan het tv-spelletje, waarbij een bekende voorstelling stukje voor stukje oplicht tot het geheel in beeld is. Die korte ‘shots’ zijn opgepoetst tot pronkstukjes van taal. Knap is hoe Verschuur zich met een twaalfjarig meisje weet te identificeren (of zich haar eigen jeugd tot in detail herinnert!) Dat levert mooie kinderobservaties op als: ‘halfbroertjes, dat vind ik zo’n gek woord voor hele jongetjes.’

Veel in Moeder en God en ik zal oudere lezers vertrouwd voorkomen. Maar de wereld van nu is heel anders dan in Verschuurs jeugd. Het is de vraag of de hedendaagse jeugd nog aandacht kan opbrengen voor Rita’s perikelen. Misschien zullen ze nog wel de puberemoties herkennen. Literatuur voor een kleine groep jonge lezers en een groter publiek volwassenen dus.
                                                                                                                                                      Top

 Deze tekst  gaat over het nieuwe boek van Anton van der Kolk: Het huis van oma         november 2005     

De geur van oma’s sudderlapjes

Het is nu eenmaal niet anders: alles in het leven gaat voorbij. Gelukkig kreeg de mens ter compensatie het vermogen om herinneringen te bewaren. Hij ontdekte ook hulpmiddelen om de schatkamer van het verleden gemakkelijker te openen: we plakken foto’s in albums, we bewaren voorwerpen van vroeger. En soms woelt het verleden zich vanzelf los door een oude geur of smaak. Prachtige literatuur over de verloren jeugd is zo ontstaan: van Proust (madeleinekoekjes) tot Vestdijk (stoomtrein). Veel auteurs grijpen ook het overlijden van hun ouders aan om herinneringen op te halen: bijvoorbeeld Wolkers (De Junival), Matsier (Gesloten huis).
In de jeugdliteratuur is dat ‘specialisme’ zonder meer gereserveerd voor Anton van der Kolk. Hij schreef al een jeugdboek naar aanleiding van het overlijden van zijn vader (Nacht) en nu brengt de geur van sudderlapjes hem naar Het huis van oma. Op het omslag staat het ouderlijke huis, maar net als in het vorige boek neemt Van der Kolk afstand en verdoezelt hij het autobiografische door een kleinkind van oma het verhaal te laten vertellen.

Het huis van oma moet na haar overlijden verkocht worden. Samen met haar vader gaat de elfjarige Maloe er opruimen en daarmee duikt ze in het verleden. Maloe probeert de herinneringen steun te geven door het huis te tekenen en bezittingen van oma veilig te stellen: haar schoenen, haar hoedje en sjaal, de spiegel, de knopenpot, het Mariabeeld. Oma was de liefste oma (‘Zo lief worden ze niet meer gemaakt, tegenwoordig.’), ook nog een malle oma die in onderbroek met haar kleindochter in een vennetje gaat zwemmen. Met al haar gedachten en herinneringen brengt Maloe oma eigenlijk weer tot leven. Als ze zich verkleedt met oma’s jas en hoedje kan ze in de spiegel zelfs weer met de oude vrouw praten. Toch blijkt Oma niet alleen lief te zijn geweest. Maloes vader heeft heel andere herinneringen, waar hij niet graag over praat.

Het geheim rond die nare herinneringen brengt spanning in het boek. Maar heel spectaculair is het allemaal niet. Het mooie van dit boek is juist dat Van der Kolk niet op jacht is naar grote effecten maar subtiel te werk gaat. Het zijn heel gewone herinneringen aan een gewone grootmoeder, herkenbaar en toegankelijk voor jonge lezers. Het geheim van de vader is ook niet duister zoals in veel jeugdboeken. Het uitgewoonde lege huis wordt gespiegeld in een oud wespennest, maar het gebeurt allemaal zonder nadruk. Ook de taal van Van der Kolk is sober: korte zinnen, natuurlijke dialogen, weinig beeldspraak. In die eenvoud schitteren de ontroerende gesprekken die Maloe voert met het Mariabeeld (‘Zonder mij had u bij het grofvuil gelegen, hoor!’) of met de dode grootmoeder. Soms doet dat wat denken aan de Guus Kuijer-kinderen, die net zo spontaan met een dode grootouder of Jezus praten. Maar gelukkig is Maloes oma katholiek en zijn de discussies met twee Lieve Vrouwen zo toch weer uniek.

 Onderstaande column is verschenen in de Lemniscaatkrant nr. 75. Het gaat over het nieuwe boek van
 
de Kidsbibliotheek: De geur van roestig ijzer .  oktober 2005

 Een roestige spijker als piercing

Niet iedereen gelooft een schrijver zomaar op zijn woord. Uitgevers willen bijvoorbeeld nog wel eens vragen: ‘Klopt dat wel wat daar staat? Zijn er echt negermeisjes met blauwe ogen? Heeft een Volvo 440 wel stuurversnelling? Bloeien klaprozen nog in september?’
Er zijn ook lezers die controleren of het wel kan wat er in het boek staat. Ik herinner me iemand die uitprobeerde of je ’s nachts op de hei in Engeland een boek kon lezen bij het licht van glimwormen. En kortgeleden hipten er twee Lemniscaatjournalistes mijn huis binnen. Ze wilden weten hoe het precies zat met het Kidsweek-boek De geur van roestig ijzer en kwamen dus ook met vragen als: ‘Dat meisje in het boek is dertien jaar en ze heeft de zwarte band judo?’ Ze hadden natuurlijk gelijk: hoe goed je ook bent in judo, de zwarte band als je dertien bent kan nooit.
Meestal maak ik me niet zo druk om zulke ‘leugentjes’ in een boek. Je kunt het natuurlijk niet al te bont maken. De Watergeuzen veroverden Den Briel in 1572 niet met kruisraketten. Orang-oetans zijn geen inheemse dieren op de Veluwe. Maar een schrijver mag verder best proberen jou te laten geloven dat iets waar is als het niet waar is. Ik geef een voorbeeld en het is ook meteen een bekentenis en een Lemniscaatgeheim dus.
In De geur van roestig ijzer valt Joeri voor het Turkse meisje Nesrin. Hij vindt dat zij naar roestig ijzer ruikt dat in de regen heeft gelegen. Dat is zo’n heerlijke geur dat hij helemaal van de kaart is. De meeste lezers zullen ‘het wel geloven’, maar er zijn er ook die wel eens willen weten hoe roestig ijzer nu precies ruikt. Een oude fiets of een roestig putdekseltje is snel gevonden. Wat ruik je dan? Als ik eerlijk ben: ik weet het niet. Ik heb in al die tijd dat ik aan het boek werkte nooit met mijn neus op stukjes roestig ijzer gelegen. Ik heb mij voorgesteld hoe de geur was en rook die ook in mijn hoofd. Onweerstaanbaar lekker! Ik wist ook hoe je die geur kon namaken. Ik liet Joeri immers het recept ontdekken. Maar ook dat heb ik nooit uitgeprobeerd; ik geloofde Joeri gewoon. Dat is het mooie van schrijven en lezen: het kan ook als het misschien niet kan.
Ik heb me wel afgevraagd waarom ik bij roestig ijzer als heerlijke geur kwam. Waarom ruikt Nesrin niet naar komkommers, zeewier of speculaaskoekjes? Ik ben op een schip geboren, dus eigenlijk in een ijzeren doos met veel roest in de buurt. Helemaal als ons schip na een ‘zoute’ zeereis een haven binnenliep. Was roestig ijzer het eerste wat ik in mijn leven rook? Was er toen even een Turks meisje in de buurt? Want het is wel zo dat geuren en smaken diepere indrukken achterlaten dan wat je ziet. Als ik inkt ruik zit ik zo weer als jongetje bij juf Stubbe in de klas. Als ik een framboos proef sta ik weer in de tuin van mijn grootvader. Er zijn schrijvers die door zo’n ‘herinnerings’-geur beroemde boeken schreven. Als de Nederlandse schrijver Vestdijk bijvoorbeeld stoom van een lokomotief rook herinnerde hij zich zijn jeugdliefde. Die geur bracht hem tot een serie boeken over Ina Damman.
Bij een diplomauitreiking hoorde ik laatst iemand zeggen: a goodbye is the birth of a memory. Vond ik wel een mooie uitspraak! Alles in het leven gaat voorbij, maar de herinnering blijft. Ons hoofd is een geweldige doos vol herinneringen. Je begint met een lege doos en propt hem in je leven barstensvol. Wij hebben ook sleuteltjes om de vakjes in de memorydoos te openen. Foto’s, een voorwerp, een muziekje brengen herinneringen tot leven. Geuren trekken ook zomaar een laatje in je hoofd open. Helemaal dus als het de geur van roestig ijzer is. Geloof mij nou maar: er is niks lekkerder dan die geur. Waarom zou Britney Spears anders liever ijzeren oorbellen dragen dan gouden! Stop jij dus gerust een roestige spijker in je broekzak of als piercing door je neusvleugel. Wedden dat er dan zo maar iemand vreselijk verliefd op je wordt?                                                                                                  
                                                                                                                                                  Top